Voor schrijvers, door schrijvers
948 inzendingen in deze rubriek

Ook jouw tekstbijdrage is welkom en meedoen is gratis.

55 woordenverhaal

Waarom een verhaal in exact 55 woorden (incl. titel)? Omdat de vorm ons dwingt te schrappen tot de essentie van wat we willen zeggen. “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister”, of anders gezegd, in weer een andere taal: “Less Is More.”
Dus een echt, afgerond prozaverhaal, met een begin, een midden en het liefst een verrassend eind.
Klik hier
Eerst inloggen of (gratis) aanmelden s.v.p. om je artikel in te zenden.
(klik op de button om in te loggen of je aan te melden)

172 Hits

Publicatie op:
Netloos

Ze had geen moeite met thuiszitten, corona kreeg haar niet klein.

Tot er een hele dag geen internet was. Zevenhonderddrieënvijftig vrienden minder. Mirjam voelde zich vreselijk alleen. De enige like kwam van haar moeder, die voor het eerst sinds maanden niet hoefde te zeggen dat ze eens wat anders moest gaan doen dan computeren.


 
Hoofdstuk 1
 
Piep, piep, piep. Met een hoop gekreun en gesteun kom ik boven mijn deken uit. Piep, piep, piep, hoor ik nog steeds door mijn kamer. Waar is dat ding? Denk ik. Het gepiep wordt steeds harder en ik word steeds geïrriteerder. Ik sla mijn deken van me af en tast in het donker naar het lichtknopje. Mijn telefoon piept nog steeds. Eindelijk, het licht gaat aan en ik zie mijn kamer. De kast in de hoek, mijn spiegel en de grote stoel waar ik me helemaal in kan verstoppen. Op blote voeten loop ik naar de stoel en trek er een stapel kleren uit. Helemaal onderop ligt mijn telefoon, ik druk het alarm uit. Zou ik nou wakker worden met een leuk nummer, dan was mijn dag een stuk beter begonnen in plaats van met dat ergerlijke gepiep. Ik trek een jurkje, dat uit de kledingzaak komt waar ik werk, uit mijn kast. De winkel heet ‘My World’. Belachelijke naam, maar de zaak heeft wel schattige kleren. Ik ken de eigenaren en hun kinderen, Dee en Luuk. Dee is lang en heeft blond, lang, stijl haar. Ze zit bij ons op school, alleen dan in het laatste jaar. Luuk is al bijna eenentwintig en werkt fulltime in een skihal. Hij heeft me leren snowboarden. Doordat die hal in de buurt van Amsterdam is, heb ik hem al lange tijd niet gezien. Ik ga voor mijn spiegel staan, mijn bruine haar hangt op mijn borst. Met mijn borstel ga ik erdoorheen en maak een wat slordige vlecht naar links. Onder mijn ogen zitten grote paarse wallen. Door mascara op te doen probeer ik ze te verbergen, maar het werkt niet echt. Uiteindelijk is het mijn eigen schuld, had ik maar niet tot halfeen Netflix moeten kijken. Ik kon alleen niet meer stoppen. Grimm is gewoon te spannend, nog maar één seizoen en ik ben klaar.
Ik draai me om en wil mijn kamer uitlopen. Ik zet een stap en stoot me tegen mijn bed, ik moet een scheldwoord onderdrukken en wrijf over de pijnlijke plek. Ik loop naar de badkamer terwijl ik mijn Instagram nakijk. Mijn foto die ik gepost heb is al meer dan honderdtwintig keer geliket, het is er een van Milla en mij in het zwembad. Haar lichtroze haren en donkerblauwe ogen laten haar een beetje op een elfje lijken. Ze lacht breed en je kan goed zien dat haar voortanden een heel klein beetje uit elkaar staan. Vroeger werd er altijd aan haar gevraagd of ze een beugel zou nemen, maar ze heeft altijd nee gezegd. “Op die spleet na staat alles toch gewoon recht, ze leren er maar mee leven.” Vaak moest ik erom lachen. Het hoort bij haar, net als roze haren en vrolijke kleren. Ik steek met die gedachte mijn tandenborstel in mijn mond. Van beneden hoor ik geschreeuw. Waarschijnlijk hebben onze honden, Day en Light een vaas van de tafel geslagen met hun staart. Ik klim op de rand van het bad en kijk uit het raampje over ons land, mijn land. Ik woon in een groot huis met vier andere kinderen. We zijn allemaal broers en zussen met andere ouders. We hebben twee honden, vier paarden, een kat, een vogel, een handvol kippen en twee konijnen. Het is hier net een dierentuin. We hebben allemaal onze eigen slaapkamer, helaas met maar een badkamer. In de verte zie ik net onze boomhut die we samen met Lars, onze vader hebben gemaakt. Ik ga weer op de grond staan, dan loop ik naar de wasbak en spuug mijn tandpasta uit. Ik spoel mijn mond, ga naar de wc en dan ben ik helemaal klaar om naar beneden te gaan. Ik voel me nu wel toonbaar.
De trap zit gelijk in de woonkamer naast de buitendeur. Kim, mijn moeder, zit op de bank en aait over het koppie van Day. “Goedemorgen Dream, heb je goed geslapen?” Ze weet dat ik 's ochtends liever niet praat, maar ik kan niet anders dan haar antwoorden. “Jij ook?” vraag ik daarom. Ze lacht, er komen kuiltjes in haar wangen. Haar rimpels zijn bijna niet te zien. Misschien moet ik daar ook niet aan denken, zo oud is ze niet, pas achtenveertig. Goed, toch best wel oud naast een zeventienjarig meisje dat geen zorgen heeft en haar haren niet zwart hoeft te verven, omdat ze grijs begint te worden. Ik loop snel door naar de keuken. De grote tafel in het midden geeft me een benauwd gevoel. Amelie, mijn ‘zusje’ zit te ontbijten. Ze heeft al net zo’n humeur als ik. Haar zwarte kroeshaar staat alle kanten op. Ze heeft een geel jasje aan, ik herken het. “Zo heb jij de winkel leeggekocht?” Ze kijkt op, “Ja, hij staat leuk toch?” Ik knik, tuurlijk staat het haar leuk, zoals alles wat ze uitkiest. Ik loop naar de koelkast en haal er een pot met jam uit, dan trek ik de vriezer open en haal er een half witbrood uit. Mijn gezicht staat op onweer, iemand heeft van mijn brood gegeten. “Oh Dream, het spijt me ik heb nog geen tijd gehad om brood te halen.” Het is Kim die ineens naast me staat. Ik schrik van haar hoge stem achter me, mijn gezicht ontspant weer en ik lijk bijna normaal. Ik leg alles op een houten plank en maak mijn brood klaar. Niemand hoeft in mijn hoofd te kijken en niemand hoeft te weten hoe alleen ik me voel. Met een bord loop ik de veranda op. De zon schijnt maar het is nog koud buiten, het is bijna april maar het is nog niet warmer geweest dan vijftien graden. Ik voel de wind door mijn haar gaan, terwijl ik naar de trampoline loop die naast de boomgaard staat. Ik kom langs het zwembad en de barbecueplaats. De grote trampoline komt in beeld samen met de schommel. Ik ga op de rand zitten, het zou me niks verbazen als ik ziek zal worden, maar hier is het tenminste wel rustig. Kai komt het huis uit stormen met een skateboard onder zijn arm. “Hé zussie van me, ga je mee naar voren.” Ik schud mijn hoofd. Ik ben zo’n persoon van weinig woorden. Er zijn maar een paar mensen waar ik me echt bij op me gemak voel. Milla, dat is logisch ze is mijn beste vriendin. Luuk, maar die zit in Amsterdam ver weg bij mij vandaan en Dee, zijn zusje. We zitten samen op dezelfde opleiding voor mode alleen zit ze een klas hoger dan ik. Vroeger voelde ik me hier meer thuis, toen we meer met elkaar omgingen en gek konden doen. Nu merk ik dat we elkaar steeds vaker niet begrijpen. We zijn gewoon te verschillend, al hebben we één ding gemeen: we zijn alle vijf geadopteerd. Kim en Lars voelen wel als mijn ouders, ik was zes toen ik bij ze kwam wonen. Kai was er toen al. Hij was een koppige jongen van acht. Misschien is dat ook de reden dat ik het, van iedereen het beste met hem kan vinden. Het is niet zo dat ik veel met hem praat, maar van iedereen hier in huis wel het meeste met hem. We trekken vaak samen op, dan gaan we samen skateboarden of freerunnen, nieuwe trucjes leren op de trampoline en zwemmen. Was het maar weer zomer.
Ik kijk op mijn telefoon, het is negen uur. Ik moet weg, op naar mijn werk. Ik loop naar de voordeur en maak hem open. Vrijwel meteen rent Day langs me heen en volgt Light haar naar buiten. Ik kan nog net opzij springen. Terwijl ik de spelende honden nakijk loop ik achteruit naar binnen. “Hé Dream, zal ik je wegbrengen?” Het is Lars.
“Nee ik ga fietsen, maar bedankt.”
“Oké tot vanavond, wil je iets specials eten?”
“Nee.”
Nog steeds komen er maar weinig woorden uit mijn mond.
Hoe kan iemand je zo slecht laten voelen, zonder dat je zelf iets gedaan hebt? Het is bijna een jaar geleden dat ik in het ziekenhuis heb gestaan, zijn hand vast heb gehouden en afscheid heb genomen van hem. De rillingen lopen opnieuw over mijn rug. Ik heb vrede met zijn dood. We hadden geen ruzie, we wisten dat het zou gaan gebeuren en we hebben plezier gehad samen. Toch zou ik hem in mijn armen willen houden, zijn stem nog een keertje horen. Ik weet dat hij van me houdt, net zoveel als ik van hem. Ik kan me alleen, zelfs nu we een jaar verder zijn niet inbeelden hoe het met een andere jongen zou zijn. Ik betwijfel of er ooit nog iemand in mijn leven komt, die zijn plaats kan innemen. Voor ik mijn tas pak en schoenen aantrek, werp ik nog een laatste blik naar de kast waar de foto van ons beetje apart gezin staat met in het midden Dylan en ik. We staan knuffelend met een grote lach op onze gezichten. Ik weet nog goed hoe hij me kuste. Dat hij me troostte als ik verdrietig was en met me mee ging rijden, zelfs als het regende. Ik hou nog steeds elke dag van hem, zoveel, dat gaat nooit over. Er is gewoon niemand die hem kan vervangen. Wij hoorden bij elkaar, al was het maar kort, veel te kort.
Ik loop over het lange grindpad naar de schuur, waar mijn fiets staat. Als ik er bijna ben, zie ik twee benen bungelen. Het is Kai, zijn witblonde haar staat alle kanten op. Hij zit boven op de laadplaats van de hooizolder. Ik roep naar hem:
“Doe je een beetje voorzichtig?”
“Ja, tuurlijk”, zegt hij. Hij weet hoe ik me voel, hij voelt zich ook zo. Dylan was een van zijn beste vrienden. Ik stop mijn tas in het mandje van mijn fiets en haal mijn fiets van het slot. Lekker twintig minuten fietsen naar Rotterdam, je moet er nou eenmaal wat voor over hebben.
Eerst fiets ik de dijk op, langs het water en de weilanden. Zodra ik daar langs ben, kom ik tussen de huizen. Er lopen al mensen over straat. Ik heb het koud en het begint te regen. Misschien had ik toch beter op het aanbod van Lars in kunnen gaan. Waarom deed ik dat eigenlijk niet, omdat ik bang ben om te moeten spreken? Waarom wil iedereen dan ook alles van mij weten, ben ik zo'n belangrijk persoon? Nee dat ben ik niet. Ik ben gewoon een geadopteerd kind met liefdesverdriet, zo noemen ze het toch? Niks verdriet, ik wist dat het zou gebeuren en ik kan er gewoon mee leven. Ik veeg de tranen uit mijn ogen. Ik wil gewoon niet zielig gevonden worden. Het gaat prima zolang ik maar niet in mijn gedachten blijf hangen, dus blijf ik altijd bezig. Ik droom te veel over hem en denk nog te vaak aan hem. Alsjeblieft, ga uit mijn hoofd!
Ik kom eindelijk bij het winkelplein. Ik zet mijn fiets in de stalling en loop naar de achterkant van de winkel waar ik naar binnen ga. Dee is er al, ze hangt rustig en beheerst nieuwe kleren in een rek. Ik loop naar haar toe en probeer haar zo vrolijk mogelijk te begroeten. Ze lacht naar me. Ze weet hoe ik me voel, al praten we er nooit over, dat wil ik niet. Kon ik het maar gewoon vergeten, het achter me laten, verder gaan met mijn leven. Kwam ik maar gewoon iemand tegen die me die vlinders weer geeft. Ik help Dee met de kleren ophangen. Daarna loop ik naar de deur en haal hem van het slot. Het is tien uur en we moeten open. Ik heb geen zin in mensen maar zoals alles wat ik doe zorgt het voor afleiding.
Gelukkig vliegt de ochtend voorbij en zijn er maar weinig mensen die om hulp vragen. Na de lunch kan ik er helaas niet aan ontkomen en moet ik een moeder met haar dochter helpen. Het is een mooi slank meisje met blond haar. Ik help haar met wat kleding en zoek wat andere kledingstukken bij elkaar, waarvan ik bijna zeker weet dat ze dat leuk zal vinden. Ik heb gelijk gehad, ze is eigenlijk bijna gelijk verliefd op het rode jurkje dat ik haar heb aangegeven. Ook de groene broek met witte trui doen het goed bij haar. Alleen de zwarte laarsjes wijst ze af, ze houdt meer van gympen dat kan ik ook wel begrijpen. Helemaal blij verlaat ze de winkel en ga ik, alles wat ze niet wilde terughangen. Ik kijk op de klok, bijna drie uur, ik moet nog wel even. Dee heeft gevraagd of ik tot zes uur kan blijven, er is niemand anders die kan invallen. Natuurlijk kan ik dat, thuis heb ik toch niks te doen. Zodra Milla binnen loopt en hulp vraagt met het uitzoeken voor een feestoutfit, die ze bij haar oma aan kan, zeg ik geen nee en ik bloei zelfs weer een beetje op. Alleen zodra ze de winkel verlaat merk ik dat ik weer terug instort en heel erg moe ben, nog steeds mijn eigen schuld, had ik maar eerder moeten gaan slapen. Vermoeidheid is geen excuus om eerder weg te kunnen. Ik heb het aan Dee beloofd.
Als ik eindelijk naar achter kan heb ik pijn in mijn voeten, heb ik het koud en ben ik doodop. Toch ben ik trots op mezelf dat ik het bijna acht en een half uur heb vol gehouden, zonder in te storten.
Een meisje komt binnen, ze ziet er gehaast uit en gooit haar spullen op de bank. Het is Lola, ze werkt ook bij ons. Meestal zie ik haar niet, omdat ik normaal om drie uur klaar ben. Ze zegt me snel gedag en rent dan naar voren, de winkel in. Normaal staat Dee altijd van drie tot ze gaan sluiten. Zo makkelijk als je ouders de baas zijn. Stiekem vraag ik me af waarom ze nu niet kon. Er wordt op de deur geklopt, ik draai me om, ik kan het niet geloven. Een lange jongen met een stoppelbaard, blond haar dat netjes zit en een bril kijkt mij recht in mijn ogen aan.
"Luuk?" het komt er een beetje vaag uit. Hij loopt naar me toe en geeft me een knuffel.
"Hé, heb je me gemist?" vraagt hij terwijl ik nog steeds in zijn armen sta.
"Tuurlijk het is zo saai hier zonder jou."
Hij laat me los.
"Ga je weg?"
"Ja ik ben klaar voor vandaag, maar ben zo blij je weer eens gezien te hebben. Je ziet er goed uit."
Hij lacht.
"Ik ben ook blij jou weer eens te zien."
Dan geeft hij me nog een knuffel en zeggen we gedag. Ik heb in geen maanden zoveel gezegd tegen iemand. Wat Luuk gedaan heeft, geen idee, maar er is een lach op mijn gezicht verschenen, die me oprecht laat stralen.
De regen lijkt me niks meer te doen, ik lach alleen nog. Zo blij ben ik om hem weer eens gezien te hebben. Vroeger zagen we elkaar vaak, dan was ik aan het werk en kwam hij even gezellig kletsen.
"Kom je helpen?" Vroeg ik dan.
Hij lachte dan en zei:
"Nee, dit is niks voor mij."
Dan hadden we het over verre reizen maken en verschillende soorten sport die hij wilde beoefenen. Ineens snap ik waarom Dee niet kon blijven. Luuk is terug en ze wil daar aandacht aan geven. Als hij weg is, is het nog maar de vraag wanneer we weer iets van hem zullen horen.
 
Ben je nieuwschrieg naar het vervolg
Ga niet weg
 
 
&caption=schrijverspunt.nl" class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'facebook');"> facebook
  • twitter
  • Dan zie ik Luuk zijn vader staan.
    "Rennen meisje, hij gaat bijna weg.", zegt hij. Ik probeer naar hem te lachen, maar het kost moeite. Ik hap naar lucht, geef een klein knikje om mezelf moed te geven. Ik voel nog snel de hand van Dee op mijn schouder en dan ren ik langs de incheckbalie. Ik adem in door mijn neus, uit door mijn mond. Er zit een steek in mijn zij, het doet zo’n pijn, maar ik moet door. Mensen kijken me na. Die zullen wel denken dat ik mijn vlucht ga missen, maar nee het is veel erger dan een gemiste vlucht. Hij moet het weten, hij moet alles weten over wat ik voor hem voel. Ineens sta ik stil voor een groot bord. Tijdens mijn race tegen de klok heb ik me bedacht dat ik geen idee heb waar ik naar toe moet. Alle vluchten staan onder elkaar, ik word er alleen niet wijzer van en als een gek blijven rennen heeft geen zin. Dan is de kans dat ik hem misloop veel te groot. Alles leek zo goed te gaan, maar nu zakt al mijn hoop weer weg. Ik had net zo goed in bed kunnen blijven en hem gewoon een appje kunnen sturen.
    Veel te lang sta ik al stil, waarom nu opgeven, beter kan ik blijven lopen als een kip zonder kop dan blijven staan. Ik weet zeker dat ik hem kan vinden als ik maar niet opgeef, er staan toch wegwijsborden hier of is dat een overbodige luxe? Hoe moeten al die reizigers anders weten waar ze heen moeten? Ik begin opnieuw te rennen en zie douane en bewaking. Met mijn vingers gekruist hoop ik dat ze me niet verdacht vinden. Ineens komen er heel veel mensen van links, alsof ze allemaal weg vluchten. Waarschijnlijk komen ze uit een vliegtuig en zijn ze op weg naar huis of hun volgende vlucht.
    Mijn benen kunnen me bijna niet meer dragen, al het zuurstof begint eruit te trekken en de klok geeft aan dat ik nog ongeveer een minuut heb. Waarom moet het hier zo groot zijn en waarom ken ik de weg niet? Wat als ik nou de verkeerde kant op ren, nog verder bij hem vandaan? Mijn hoofd duizelt, ik knijp in mijn handen en ren nog harder. In mijn hoofd haal ik alles nog een keer terug van de afgelopen weken. Misschien helpt het me om hem te vinden in deze mensenmassa.
  •  
    Hoofdstuk 1
     
    Piep, piep, piep. Met een hoop gekreun en gesteun kom ik boven mijn deken uit. Piep, piep, piep, hoor ik nog steeds door mijn kamer. Waar is dat ding? Denk ik. Het gepiep wordt steeds harder en ik word steeds geïrriteerder. Ik sla mijn deken van me af en tast in het donker naar het lichtknopje. Mijn telefoon piept nog steeds. Eindelijk, het licht gaat aan en ik zie mijn kamer. De kast in de hoek, mijn spiegel en de grote stoel waar ik me helemaal in kan verstoppen. Op blote voeten loop ik naar de stoel en trek er een stapel kleren uit. Helemaal onderop ligt mijn telefoon, ik druk het alarm uit. Zou ik nou wakker worden met een leuk nummer, dan was mijn dag een stuk beter begonnen in plaats van met dat ergerlijke gepiep. Ik trek een jurkje, dat uit de kledingzaak komt waar ik werk, uit mijn kast. De winkel heet ‘My World’. Belachelijke naam, maar de zaak heeft wel schattige kleren. Ik ken de eigenaren en hun kinderen, Dee en Luuk. Dee is lang en heeft blond, lang, stijl haar. Ze zit bij ons op school, alleen dan in het laatste jaar. Luuk is al bijna eenentwintig en werkt fulltime in een skihal. Hij heeft me leren snowboarden. Doordat die hal in de buurt van Amsterdam is, heb ik hem al lange tijd niet gezien. Ik ga voor mijn spiegel staan, mijn bruine haar hangt op mijn borst. Met mijn borstel ga ik erdoorheen en maak een wat slordige vlecht naar links. Onder mijn ogen zitten grote paarse wallen. Door mascara op te doen probeer ik ze te verbergen, maar het werkt niet echt. Uiteindelijk is het mijn eigen schuld, had ik maar niet tot halfeen Netflix moeten kijken. Ik kon alleen niet meer stoppen. Grimm is gewoon te spannend, nog maar één seizoen en ik ben klaar.
    Ik draai me om en wil mijn kamer uitlopen. Ik zet een stap en stoot me tegen mijn bed, ik moet een scheldwoord onderdrukken en wrijf over de pijnlijke plek. Ik loop naar de badkamer terwijl ik mijn Instagram nakijk. Mijn foto die ik gepost heb is al meer dan honderdtwintig keer geliket, het is er een van Milla en mij in het zwembad. Haar lichtroze haren en donkerblauwe ogen laten haar een beetje op een elfje lijken. Ze lacht breed en je kan goed zien dat haar voortanden een heel klein beetje uit elkaar staan. Vroeger werd er altijd aan haar gevraagd of ze een beugel zou nemen, maar ze heeft altijd nee gezegd. “Op die spleet na staat alles toch gewoon recht, ze leren er maar mee leven.” Vaak moest ik erom lachen. Het hoort bij haar, net als roze haren en vrolijke kleren. Ik steek met die gedachte mijn tandenborstel in mijn mond. Van beneden hoor ik geschreeuw. Waarschijnlijk hebben onze honden, Day en Light een vaas van de tafel geslagen met hun staart. Ik klim op de rand van het bad en kijk uit het raampje over ons land, mijn land. Ik woon in een groot huis met vier andere kinderen. We zijn allemaal broers en zussen met andere ouders. We hebben twee honden, vier paarden, een kat, een vogel, een handvol kippen en twee konijnen. Het is hier net een dierentuin. We hebben allemaal onze eigen slaapkamer, helaas met maar een badkamer. In de verte zie ik net onze boomhut die we samen met Lars, onze vader hebben gemaakt. Ik ga weer op de grond staan, dan loop ik naar de wasbak en spuug mijn tandpasta uit. Ik spoel mijn mond, ga naar de wc en dan ben ik helemaal klaar om naar beneden te gaan. Ik voel me nu wel toonbaar.
    De trap zit gelijk in de woonkamer naast de buitendeur. Kim, mijn moeder, zit op de bank en aait over het koppie van Day. “Goedemorgen Dream, heb je goed geslapen?” Ze weet dat ik 's ochtends liever niet praat, maar ik kan niet anders dan haar antwoorden. “Jij ook?” vraag ik daarom. Ze lacht, er komen kuiltjes in haar wangen. Haar rimpels zijn bijna niet te zien. Misschien moet ik daar ook niet aan denken, zo oud is ze niet, pas achtenveertig. Goed, toch best wel oud naast een zeventienjarig meisje dat geen zorgen heeft en haar haren niet zwart hoeft te verven, omdat ze grijs begint te worden. Ik loop snel door naar de keuken. De grote tafel in het midden geeft me een benauwd gevoel. Amelie, mijn ‘zusje’ zit te ontbijten. Ze heeft al net zo’n humeur als ik. Haar zwarte kroeshaar staat alle kanten op. Ze heeft een geel jasje aan, ik herken het. “Zo heb jij de winkel leeggekocht?” Ze kijkt op, “Ja, hij staat leuk toch?” Ik knik, tuurlijk staat het haar leuk, zoals alles wat ze uitkiest. Ik loop naar de koelkast en haal er een pot met jam uit, dan trek ik de vriezer open en haal er een half witbrood uit. Mijn gezicht staat op onweer, iemand heeft van mijn brood gegeten. “Oh Dream, het spijt me ik heb nog geen tijd gehad om brood te halen.” Het is Kim die ineens naast me staat. Ik schrik van haar hoge stem achter me, mijn gezicht ontspant weer en ik lijk bijna normaal. Ik leg alles op een houten plank en maak mijn brood klaar. Niemand hoeft in mijn hoofd te kijken en niemand hoeft te weten hoe alleen ik me voel. Met een bord loop ik de veranda op. De zon schijnt maar het is nog koud buiten, het is bijna april maar het is nog niet warmer geweest dan vijftien graden. Ik voel de wind door mijn haar gaan, terwijl ik naar de trampoline loop die naast de boomgaard staat. Ik kom langs het zwembad en de barbecueplaats. De grote trampoline komt in beeld samen met de schommel. Ik ga op de rand zitten, het zou me niks verbazen als ik ziek zal worden, maar hier is het tenminste wel rustig. Kai komt het huis uit stormen met een skateboard onder zijn arm. “Hé zussie van me, ga je mee naar voren.” Ik schud mijn hoofd. Ik ben zo’n persoon van weinig woorden. Er zijn maar een paar mensen waar ik me echt bij op me gemak voel. Milla, dat is logisch ze is mijn beste vriendin. Luuk, maar die zit in Amsterdam ver weg bij mij vandaan en Dee, zijn zusje. We zitten samen op dezelfde opleiding voor mode alleen zit ze een klas hoger dan ik. Vroeger voelde ik me hier meer thuis, toen we meer met elkaar omgingen en gek konden doen. Nu merk ik dat we elkaar steeds vaker niet begrijpen. We zijn gewoon te verschillend, al hebben we één ding gemeen: we zijn alle vijf geadopteerd. Kim en Lars voelen wel als mijn ouders, ik was zes toen ik bij ze kwam wonen. Kai was er toen al. Hij was een koppige jongen van acht. Misschien is dat ook de reden dat ik het, van iedereen het beste met hem kan vinden. Het is niet zo dat ik veel met hem praat, maar van iedereen hier in huis wel het meeste met hem. We trekken vaak samen op, dan gaan we samen skateboarden of freerunnen, nieuwe trucjes leren op de trampoline en zwemmen. Was het maar weer zomer.
    Ik kijk op mijn telefoon, het is negen uur. Ik moet weg, op naar mijn werk. Ik loop naar de voordeur en maak hem open. Vrijwel meteen rent Day langs me heen en volgt Light haar naar buiten. Ik kan nog net opzij springen. Terwijl ik de spelende honden nakijk loop ik achteruit naar binnen. “Hé Dream, zal ik je wegbrengen?” Het is Lars.
    “Nee ik ga fietsen, maar bedankt.”
    “Oké tot vanavond, wil je iets specials eten?”
    “Nee.”
    Nog steeds komen er maar weinig woorden uit mijn mond.
    Hoe kan iemand je zo slecht laten voelen, zonder dat je zelf iets gedaan hebt? Het is bijna een jaar geleden dat ik in het ziekenhuis heb gestaan, zijn hand vast heb gehouden en afscheid heb genomen van hem. De rillingen lopen opnieuw over mijn rug. Ik heb vrede met zijn dood. We hadden geen ruzie, we wisten dat het zou gaan gebeuren en we hebben plezier gehad samen. Toch zou ik hem in mijn armen willen houden, zijn stem nog een keertje horen. Ik weet dat hij van me houdt, net zoveel als ik van hem. Ik kan me alleen, zelfs nu we een jaar verder zijn niet inbeelden hoe het met een andere jongen zou zijn. Ik betwijfel of er ooit nog iemand in mijn leven komt, die zijn plaats kan innemen. Voor ik mijn tas pak en schoenen aantrek, werp ik nog een laatste blik naar de kast waar de foto van ons beetje apart gezin staat met in het midden Dylan en ik. We staan knuffelend met een grote lach op onze gezichten. Ik weet nog goed hoe hij me kuste. Dat hij me troostte als ik verdrietig was en met me mee ging rijden, zelfs als het regende. Ik hou nog steeds elke dag van hem, zoveel, dat gaat nooit over. Er is gewoon niemand die hem kan vervangen. Wij hoorden bij elkaar, al was het maar kort, veel te kort.
    Ik loop over het lange grindpad naar de schuur, waar mijn fiets staat. Als ik er bijna ben, zie ik twee benen bungelen. Het is Kai, zijn witblonde haar staat alle kanten op. Hij zit boven op de laadplaats van de hooizolder. Ik roep naar hem:
    “Doe je een beetje voorzichtig?”
    “Ja, tuurlijk”, zegt hij. Hij weet hoe ik me voel, hij voelt zich ook zo. Dylan was een van zijn beste vrienden. Ik stop mijn tas in het mandje van mijn fiets en haal mijn fiets van het slot. Lekker twintig minuten fietsen naar Rotterdam, je moet er nou eenmaal wat voor over hebben.
    Eerst fiets ik de dijk op, langs het water en de weilanden. Zodra ik daar langs ben, kom ik tussen de huizen. Er lopen al mensen over straat. Ik heb het koud en het begint te regen. Misschien had ik toch beter op het aanbod van Lars in kunnen gaan. Waarom deed ik dat eigenlijk niet, omdat ik bang ben om te moeten spreken? Waarom wil iedereen dan ook alles van mij weten, ben ik zo'n belangrijk persoon? Nee dat ben ik niet. Ik ben gewoon een geadopteerd kind met liefdesverdriet, zo noemen ze het toch? Niks verdriet, ik wist dat het zou gebeuren en ik kan er gewoon mee leven. Ik veeg de tranen uit mijn ogen. Ik wil gewoon niet zielig gevonden worden. Het gaat prima zolang ik maar niet in mijn gedachten blijf hangen, dus blijf ik altijd bezig. Ik droom te veel over hem en denk nog te vaak aan hem. Alsjeblieft, ga uit mijn hoofd!
    Ik kom eindelijk bij het winkelplein. Ik zet mijn fiets in de stalling en loop naar de achterkant van de winkel waar ik naar binnen ga. Dee is er al, ze hangt rustig en beheerst nieuwe kleren in een rek. Ik loop naar haar toe en probeer haar zo vrolijk mogelijk te begroeten. Ze lacht naar me. Ze weet hoe ik me voel, al praten we er nooit over, dat wil ik niet. Kon ik het maar gewoon vergeten, het achter me laten, verder gaan met mijn leven. Kwam ik maar gewoon iemand tegen die me die vlinders weer geeft. Ik help Dee met de kleren ophangen. Daarna loop ik naar de deur en haal hem van het slot. Het is tien uur en we moeten open. Ik heb geen zin in mensen maar zoals alles wat ik doe zorgt het voor afleiding.
    Gelukkig vliegt de ochtend voorbij en zijn er maar weinig mensen die om hulp vragen. Na de lunch kan ik er helaas niet aan ontkomen en moet ik een moeder met haar dochter helpen. Het is een mooi slank meisje met blond haar. Ik help haar met wat kleding en zoek wat andere kledingstukken bij elkaar, waarvan ik bijna zeker weet dat ze dat leuk zal vinden. Ik heb gelijk gehad, ze is eigenlijk bijna gelijk verliefd op het rode jurkje dat ik haar heb aangegeven. Ook de groene broek met witte trui doen het goed bij haar. Alleen de zwarte laarsjes wijst ze af, ze houdt meer van gympen dat kan ik ook wel begrijpen. Helemaal blij verlaat ze de winkel en ga ik, alles wat ze niet wilde terughangen. Ik kijk op de klok, bijna drie uur, ik moet nog wel even. Dee heeft gevraagd of ik tot zes uur kan blijven, er is niemand anders die kan invallen. Natuurlijk kan ik dat, thuis heb ik toch niks te doen. Zodra Milla binnen loopt en hulp vraagt met het uitzoeken voor een feestoutfit, die ze bij haar oma aan kan, zeg ik geen nee en ik bloei zelfs weer een beetje op. Alleen zodra ze de winkel verlaat merk ik dat ik weer terug instort en heel erg moe ben, nog steeds mijn eigen schuld, had ik maar eerder moeten gaan slapen. Vermoeidheid is geen excuus om eerder weg te kunnen. Ik heb het aan Dee beloofd.
    Als ik eindelijk naar achter kan heb ik pijn in mijn voeten, heb ik het koud en ben ik doodop. Toch ben ik trots op mezelf dat ik het bijna acht en een half uur heb vol gehouden, zonder in te storten.
    Een meisje komt binnen, ze ziet er gehaast uit en gooit haar spullen op de bank. Het is Lola, ze werkt ook bij ons. Meestal zie ik haar niet, omdat ik normaal om drie uur klaar ben. Ze zegt me snel gedag en rent dan naar voren, de winkel in. Normaal staat Dee altijd van drie tot ze gaan sluiten. Zo makkelijk als je ouders de baas zijn. Stiekem vraag ik me af waarom ze nu niet kon. Er wordt op de deur geklopt, ik draai me om, ik kan het niet geloven. Een lange jongen met een stoppelbaard, blond haar dat netjes zit en een bril kijkt mij recht in mijn ogen aan.
    "Luuk?" het komt er een beetje vaag uit. Hij loopt naar me toe en geeft me een knuffel.
    "Hé, heb je me gemist?" vraagt hij terwijl ik nog steeds in zijn armen sta.
    "Tuurlijk het is zo saai hier zonder jou."
    Hij laat me los.
    "Ga je weg?"
    "Ja ik ben klaar voor vandaag, maar ben zo blij je weer eens gezien te hebben. Je ziet er goed uit."
    Hij lacht.
    "Ik ben ook blij jou weer eens te zien."
    Dan geeft hij me nog een knuffel en zeggen we gedag. Ik heb in geen maanden zoveel gezegd tegen iemand. Wat Luuk gedaan heeft, geen idee, maar er is een lach op mijn gezicht verschenen, die me oprecht laat stralen.
    De regen lijkt me niks meer te doen, ik lach alleen nog. Zo blij ben ik om hem weer eens gezien te hebben. Vroeger zagen we elkaar vaak, dan was ik aan het werk en kwam hij even gezellig kletsen.
    "Kom je helpen?" Vroeg ik dan.
    Hij lachte dan en zei:
    "Nee, dit is niks voor mij."
    Dan hadden we het over verre reizen maken en verschillende soorten sport die hij wilde beoefenen. Ineens snap ik waarom Dee niet kon blijven. Luuk is terug en ze wil daar aandacht aan geven. Als hij weg is, is het nog maar de vraag wanneer we weer iets van hem zullen horen.
     
    Ben je nieuwschrieg naar het vervolg
    Ga niet weg
     
     
    %0A%0Ahttps://schrijverspunt.nl/proefstuk/ga-niet-weg%0A%0A" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'email');"> email
  • instagram
  • Dan zie ik Luuk zijn vader staan.
    "Rennen meisje, hij gaat bijna weg.", zegt hij. Ik probeer naar hem te lachen, maar het kost moeite. Ik hap naar lucht, geef een klein knikje om mezelf moed te geven. Ik voel nog snel de hand van Dee op mijn schouder en dan ren ik langs de incheckbalie. Ik adem in door mijn neus, uit door mijn mond. Er zit een steek in mijn zij, het doet zo’n pijn, maar ik moet door. Mensen kijken me na. Die zullen wel denken dat ik mijn vlucht ga missen, maar nee het is veel erger dan een gemiste vlucht. Hij moet het weten, hij moet alles weten over wat ik voor hem voel. Ineens sta ik stil voor een groot bord. Tijdens mijn race tegen de klok heb ik me bedacht dat ik geen idee heb waar ik naar toe moet. Alle vluchten staan onder elkaar, ik word er alleen niet wijzer van en als een gek blijven rennen heeft geen zin. Dan is de kans dat ik hem misloop veel te groot. Alles leek zo goed te gaan, maar nu zakt al mijn hoop weer weg. Ik had net zo goed in bed kunnen blijven en hem gewoon een appje kunnen sturen.
    Veel te lang sta ik al stil, waarom nu opgeven, beter kan ik blijven lopen als een kip zonder kop dan blijven staan. Ik weet zeker dat ik hem kan vinden als ik maar niet opgeef, er staan toch wegwijsborden hier of is dat een overbodige luxe? Hoe moeten al die reizigers anders weten waar ze heen moeten? Ik begin opnieuw te rennen en zie douane en bewaking. Met mijn vingers gekruist hoop ik dat ze me niet verdacht vinden. Ineens komen er heel veel mensen van links, alsof ze allemaal weg vluchten. Waarschijnlijk komen ze uit een vliegtuig en zijn ze op weg naar huis of hun volgende vlucht.
    Mijn benen kunnen me bijna niet meer dragen, al het zuurstof begint eruit te trekken en de klok geeft aan dat ik nog ongeveer een minuut heb. Waarom moet het hier zo groot zijn en waarom ken ik de weg niet? Wat als ik nou de verkeerde kant op ren, nog verder bij hem vandaan? Mijn hoofd duizelt, ik knijp in mijn handen en ren nog harder. In mijn hoofd haal ik alles nog een keer terug van de afgelopen weken. Misschien helpt het me om hem te vinden in deze mensenmassa.
  •  
    Hoofdstuk 1
     
    Piep, piep, piep. Met een hoop gekreun en gesteun kom ik boven mijn deken uit. Piep, piep, piep, hoor ik nog steeds door mijn kamer. Waar is dat ding? Denk ik. Het gepiep wordt steeds harder en ik word steeds geïrriteerder. Ik sla mijn deken van me af en tast in het donker naar het lichtknopje. Mijn telefoon piept nog steeds. Eindelijk, het licht gaat aan en ik zie mijn kamer. De kast in de hoek, mijn spiegel en de grote stoel waar ik me helemaal in kan verstoppen. Op blote voeten loop ik naar de stoel en trek er een stapel kleren uit. Helemaal onderop ligt mijn telefoon, ik druk het alarm uit. Zou ik nou wakker worden met een leuk nummer, dan was mijn dag een stuk beter begonnen in plaats van met dat ergerlijke gepiep. Ik trek een jurkje, dat uit de kledingzaak komt waar ik werk, uit mijn kast. De winkel heet ‘My World’. Belachelijke naam, maar de zaak heeft wel schattige kleren. Ik ken de eigenaren en hun kinderen, Dee en Luuk. Dee is lang en heeft blond, lang, stijl haar. Ze zit bij ons op school, alleen dan in het laatste jaar. Luuk is al bijna eenentwintig en werkt fulltime in een skihal. Hij heeft me leren snowboarden. Doordat die hal in de buurt van Amsterdam is, heb ik hem al lange tijd niet gezien. Ik ga voor mijn spiegel staan, mijn bruine haar hangt op mijn borst. Met mijn borstel ga ik erdoorheen en maak een wat slordige vlecht naar links. Onder mijn ogen zitten grote paarse wallen. Door mascara op te doen probeer ik ze te verbergen, maar het werkt niet echt. Uiteindelijk is het mijn eigen schuld, had ik maar niet tot halfeen Netflix moeten kijken. Ik kon alleen niet meer stoppen. Grimm is gewoon te spannend, nog maar één seizoen en ik ben klaar.
    Ik draai me om en wil mijn kamer uitlopen. Ik zet een stap en stoot me tegen mijn bed, ik moet een scheldwoord onderdrukken en wrijf over de pijnlijke plek. Ik loop naar de badkamer terwijl ik mijn Instagram nakijk. Mijn foto die ik gepost heb is al meer dan honderdtwintig keer geliket, het is er een van Milla en mij in het zwembad. Haar lichtroze haren en donkerblauwe ogen laten haar een beetje op een elfje lijken. Ze lacht breed en je kan goed zien dat haar voortanden een heel klein beetje uit elkaar staan. Vroeger werd er altijd aan haar gevraagd of ze een beugel zou nemen, maar ze heeft altijd nee gezegd. “Op die spleet na staat alles toch gewoon recht, ze leren er maar mee leven.” Vaak moest ik erom lachen. Het hoort bij haar, net als roze haren en vrolijke kleren. Ik steek met die gedachte mijn tandenborstel in mijn mond. Van beneden hoor ik geschreeuw. Waarschijnlijk hebben onze honden, Day en Light een vaas van de tafel geslagen met hun staart. Ik klim op de rand van het bad en kijk uit het raampje over ons land, mijn land. Ik woon in een groot huis met vier andere kinderen. We zijn allemaal broers en zussen met andere ouders. We hebben twee honden, vier paarden, een kat, een vogel, een handvol kippen en twee konijnen. Het is hier net een dierentuin. We hebben allemaal onze eigen slaapkamer, helaas met maar een badkamer. In de verte zie ik net onze boomhut die we samen met Lars, onze vader hebben gemaakt. Ik ga weer op de grond staan, dan loop ik naar de wasbak en spuug mijn tandpasta uit. Ik spoel mijn mond, ga naar de wc en dan ben ik helemaal klaar om naar beneden te gaan. Ik voel me nu wel toonbaar.
    De trap zit gelijk in de woonkamer naast de buitendeur. Kim, mijn moeder, zit op de bank en aait over het koppie van Day. “Goedemorgen Dream, heb je goed geslapen?” Ze weet dat ik 's ochtends liever niet praat, maar ik kan niet anders dan haar antwoorden. “Jij ook?” vraag ik daarom. Ze lacht, er komen kuiltjes in haar wangen. Haar rimpels zijn bijna niet te zien. Misschien moet ik daar ook niet aan denken, zo oud is ze niet, pas achtenveertig. Goed, toch best wel oud naast een zeventienjarig meisje dat geen zorgen heeft en haar haren niet zwart hoeft te verven, omdat ze grijs begint te worden. Ik loop snel door naar de keuken. De grote tafel in het midden geeft me een benauwd gevoel. Amelie, mijn ‘zusje’ zit te ontbijten. Ze heeft al net zo’n humeur als ik. Haar zwarte kroeshaar staat alle kanten op. Ze heeft een geel jasje aan, ik herken het. “Zo heb jij de winkel leeggekocht?” Ze kijkt op, “Ja, hij staat leuk toch?” Ik knik, tuurlijk staat het haar leuk, zoals alles wat ze uitkiest. Ik loop naar de koelkast en haal er een pot met jam uit, dan trek ik de vriezer open en haal er een half witbrood uit. Mijn gezicht staat op onweer, iemand heeft van mijn brood gegeten. “Oh Dream, het spijt me ik heb nog geen tijd gehad om brood te halen.” Het is Kim die ineens naast me staat. Ik schrik van haar hoge stem achter me, mijn gezicht ontspant weer en ik lijk bijna normaal. Ik leg alles op een houten plank en maak mijn brood klaar. Niemand hoeft in mijn hoofd te kijken en niemand hoeft te weten hoe alleen ik me voel. Met een bord loop ik de veranda op. De zon schijnt maar het is nog koud buiten, het is bijna april maar het is nog niet warmer geweest dan vijftien graden. Ik voel de wind door mijn haar gaan, terwijl ik naar de trampoline loop die naast de boomgaard staat. Ik kom langs het zwembad en de barbecueplaats. De grote trampoline komt in beeld samen met de schommel. Ik ga op de rand zitten, het zou me niks verbazen als ik ziek zal worden, maar hier is het tenminste wel rustig. Kai komt het huis uit stormen met een skateboard onder zijn arm. “Hé zussie van me, ga je mee naar voren.” Ik schud mijn hoofd. Ik ben zo’n persoon van weinig woorden. Er zijn maar een paar mensen waar ik me echt bij op me gemak voel. Milla, dat is logisch ze is mijn beste vriendin. Luuk, maar die zit in Amsterdam ver weg bij mij vandaan en Dee, zijn zusje. We zitten samen op dezelfde opleiding voor mode alleen zit ze een klas hoger dan ik. Vroeger voelde ik me hier meer thuis, toen we meer met elkaar omgingen en gek konden doen. Nu merk ik dat we elkaar steeds vaker niet begrijpen. We zijn gewoon te verschillend, al hebben we één ding gemeen: we zijn alle vijf geadopteerd. Kim en Lars voelen wel als mijn ouders, ik was zes toen ik bij ze kwam wonen. Kai was er toen al. Hij was een koppige jongen van acht. Misschien is dat ook de reden dat ik het, van iedereen het beste met hem kan vinden. Het is niet zo dat ik veel met hem praat, maar van iedereen hier in huis wel het meeste met hem. We trekken vaak samen op, dan gaan we samen skateboarden of freerunnen, nieuwe trucjes leren op de trampoline en zwemmen. Was het maar weer zomer.
    Ik kijk op mijn telefoon, het is negen uur. Ik moet weg, op naar mijn werk. Ik loop naar de voordeur en maak hem open. Vrijwel meteen rent Day langs me heen en volgt Light haar naar buiten. Ik kan nog net opzij springen. Terwijl ik de spelende honden nakijk loop ik achteruit naar binnen. “Hé Dream, zal ik je wegbrengen?” Het is Lars.
    “Nee ik ga fietsen, maar bedankt.”
    “Oké tot vanavond, wil je iets specials eten?”
    “Nee.”
    Nog steeds komen er maar weinig woorden uit mijn mond.
    Hoe kan iemand je zo slecht laten voelen, zonder dat je zelf iets gedaan hebt? Het is bijna een jaar geleden dat ik in het ziekenhuis heb gestaan, zijn hand vast heb gehouden en afscheid heb genomen van hem. De rillingen lopen opnieuw over mijn rug. Ik heb vrede met zijn dood. We hadden geen ruzie, we wisten dat het zou gaan gebeuren en we hebben plezier gehad samen. Toch zou ik hem in mijn armen willen houden, zijn stem nog een keertje horen. Ik weet dat hij van me houdt, net zoveel als ik van hem. Ik kan me alleen, zelfs nu we een jaar verder zijn niet inbeelden hoe het met een andere jongen zou zijn. Ik betwijfel of er ooit nog iemand in mijn leven komt, die zijn plaats kan innemen. Voor ik mijn tas pak en schoenen aantrek, werp ik nog een laatste blik naar de kast waar de foto van ons beetje apart gezin staat met in het midden Dylan en ik. We staan knuffelend met een grote lach op onze gezichten. Ik weet nog goed hoe hij me kuste. Dat hij me troostte als ik verdrietig was en met me mee ging rijden, zelfs als het regende. Ik hou nog steeds elke dag van hem, zoveel, dat gaat nooit over. Er is gewoon niemand die hem kan vervangen. Wij hoorden bij elkaar, al was het maar kort, veel te kort.
    Ik loop over het lange grindpad naar de schuur, waar mijn fiets staat. Als ik er bijna ben, zie ik twee benen bungelen. Het is Kai, zijn witblonde haar staat alle kanten op. Hij zit boven op de laadplaats van de hooizolder. Ik roep naar hem:
    “Doe je een beetje voorzichtig?”
    “Ja, tuurlijk”, zegt hij. Hij weet hoe ik me voel, hij voelt zich ook zo. Dylan was een van zijn beste vrienden. Ik stop mijn tas in het mandje van mijn fiets en haal mijn fiets van het slot. Lekker twintig minuten fietsen naar Rotterdam, je moet er nou eenmaal wat voor over hebben.
    Eerst fiets ik de dijk op, langs het water en de weilanden. Zodra ik daar langs ben, kom ik tussen de huizen. Er lopen al mensen over straat. Ik heb het koud en het begint te regen. Misschien had ik toch beter op het aanbod van Lars in kunnen gaan. Waarom deed ik dat eigenlijk niet, omdat ik bang ben om te moeten spreken? Waarom wil iedereen dan ook alles van mij weten, ben ik zo'n belangrijk persoon? Nee dat ben ik niet. Ik ben gewoon een geadopteerd kind met liefdesverdriet, zo noemen ze het toch? Niks verdriet, ik wist dat het zou gebeuren en ik kan er gewoon mee leven. Ik veeg de tranen uit mijn ogen. Ik wil gewoon niet zielig gevonden worden. Het gaat prima zolang ik maar niet in mijn gedachten blijf hangen, dus blijf ik altijd bezig. Ik droom te veel over hem en denk nog te vaak aan hem. Alsjeblieft, ga uit mijn hoofd!
    Ik kom eindelijk bij het winkelplein. Ik zet mijn fiets in de stalling en loop naar de achterkant van de winkel waar ik naar binnen ga. Dee is er al, ze hangt rustig en beheerst nieuwe kleren in een rek. Ik loop naar haar toe en probeer haar zo vrolijk mogelijk te begroeten. Ze lacht naar me. Ze weet hoe ik me voel, al praten we er nooit over, dat wil ik niet. Kon ik het maar gewoon vergeten, het achter me laten, verder gaan met mijn leven. Kwam ik maar gewoon iemand tegen die me die vlinders weer geeft. Ik help Dee met de kleren ophangen. Daarna loop ik naar de deur en haal hem van het slot. Het is tien uur en we moeten open. Ik heb geen zin in mensen maar zoals alles wat ik doe zorgt het voor afleiding.
    Gelukkig vliegt de ochtend voorbij en zijn er maar weinig mensen die om hulp vragen. Na de lunch kan ik er helaas niet aan ontkomen en moet ik een moeder met haar dochter helpen. Het is een mooi slank meisje met blond haar. Ik help haar met wat kleding en zoek wat andere kledingstukken bij elkaar, waarvan ik bijna zeker weet dat ze dat leuk zal vinden. Ik heb gelijk gehad, ze is eigenlijk bijna gelijk verliefd op het rode jurkje dat ik haar heb aangegeven. Ook de groene broek met witte trui doen het goed bij haar. Alleen de zwarte laarsjes wijst ze af, ze houdt meer van gympen dat kan ik ook wel begrijpen. Helemaal blij verlaat ze de winkel en ga ik, alles wat ze niet wilde terughangen. Ik kijk op de klok, bijna drie uur, ik moet nog wel even. Dee heeft gevraagd of ik tot zes uur kan blijven, er is niemand anders die kan invallen. Natuurlijk kan ik dat, thuis heb ik toch niks te doen. Zodra Milla binnen loopt en hulp vraagt met het uitzoeken voor een feestoutfit, die ze bij haar oma aan kan, zeg ik geen nee en ik bloei zelfs weer een beetje op. Alleen zodra ze de winkel verlaat merk ik dat ik weer terug instort en heel erg moe ben, nog steeds mijn eigen schuld, had ik maar eerder moeten gaan slapen. Vermoeidheid is geen excuus om eerder weg te kunnen. Ik heb het aan Dee beloofd.
    Als ik eindelijk naar achter kan heb ik pijn in mijn voeten, heb ik het koud en ben ik doodop. Toch ben ik trots op mezelf dat ik het bijna acht en een half uur heb vol gehouden, zonder in te storten.
    Een meisje komt binnen, ze ziet er gehaast uit en gooit haar spullen op de bank. Het is Lola, ze werkt ook bij ons. Meestal zie ik haar niet, omdat ik normaal om drie uur klaar ben. Ze zegt me snel gedag en rent dan naar voren, de winkel in. Normaal staat Dee altijd van drie tot ze gaan sluiten. Zo makkelijk als je ouders de baas zijn. Stiekem vraag ik me af waarom ze nu niet kon. Er wordt op de deur geklopt, ik draai me om, ik kan het niet geloven. Een lange jongen met een stoppelbaard, blond haar dat netjes zit en een bril kijkt mij recht in mijn ogen aan.
    "Luuk?" het komt er een beetje vaag uit. Hij loopt naar me toe en geeft me een knuffel.
    "Hé, heb je me gemist?" vraagt hij terwijl ik nog steeds in zijn armen sta.
    "Tuurlijk het is zo saai hier zonder jou."
    Hij laat me los.
    "Ga je weg?"
    "Ja ik ben klaar voor vandaag, maar ben zo blij je weer eens gezien te hebben. Je ziet er goed uit."
    Hij lacht.
    "Ik ben ook blij jou weer eens te zien."
    Dan geeft hij me nog een knuffel en zeggen we gedag. Ik heb in geen maanden zoveel gezegd tegen iemand. Wat Luuk gedaan heeft, geen idee, maar er is een lach op mijn gezicht verschenen, die me oprecht laat stralen.
    De regen lijkt me niks meer te doen, ik lach alleen nog. Zo blij ben ik om hem weer eens gezien te hebben. Vroeger zagen we elkaar vaak, dan was ik aan het werk en kwam hij even gezellig kletsen.
    "Kom je helpen?" Vroeg ik dan.
    Hij lachte dan en zei:
    "Nee, dit is niks voor mij."
    Dan hadden we het over verre reizen maken en verschillende soorten sport die hij wilde beoefenen. Ineens snap ik waarom Dee niet kon blijven. Luuk is terug en ze wil daar aandacht aan geven. Als hij weg is, is het nog maar de vraag wanneer we weer iets van hem zullen horen.
     
    Ben je nieuwschrieg naar het vervolg
    Ga niet weg
     
     
    " class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'linkedin');"> Linkedin
  • Printen
  • Whatsapp
  • Feedback voor schrijfactiviteiten

    Review voor: "Netloos"

    09.02.21
    Feedback schrijfkwaliteit
    Wat leuk!
    • Waardering schrijfkwaliteit
      100%
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

    Ook graag je review voor een van de oudere inzendingen...

    • Een varken (411) Lieven Vandekerckhove 17-04-2020

      Op wandel met mijn kleindochter stopte ik bij een huisje, waar vroeger een man woonde die nooit naar de supermarkt moest gaan om vlees te kopen, omdat hij zijn eigen varkens kweekte. Ik vertelde...

      Lees meer: Een varken