Klik hieronder op een van de mogelijkheden.

Praten

De praatgrage chauffeur van een patiënt was duidelijk aanwezig. Je kent het wel, zo een type dat praat tegen een hond met een hoed op. Die een uiteenzetting gaf van zijn pensioenberekening, terwijl de vrouw waartegen hij zijn verhaal deed, instemmend knikte. Ze deed alsof ze het begreep. De nul komma drie werd door haar verbeterd naar nul komma dertig, en weer knikten ze samen instemmend. Ik kreeg het al benauwd van de gedachte dat ik straks, als enige overblijvende wachtende, alleen met hem zou achterblijven. Een noodplan drong zich op. Als ik in deze wachtzaal niet meer te bespeuren was, zou ik een verdieping hoger zitten. Want in een ziekenhuis dat eerder op een luchthaven leek was het belangrijk om híer duidelijke afspraken over te maken. Gelukkig koos hij een ander slachtoffer om zijn verhaal verder te zetten. Maar ik nam geen risico. Het slachtoffer zou dadelijk opgeroepen worden en dan was ik de laatste praatpaal. Zijn rode schoenen en rode short werkten bij mij als een rode lap op een stier, al ben ik van een ander gender. Beter voorkomen dan genezen. Ik klom uit de bestralingsbunker naar een hoger verdiep, eerder vluchtend. Bij de houten boom hield ik halt. De post-itjes in hartvorm trokken mijn aandacht.
Veel sterkte. Dat je snel weer beter mag worden. Ik hou van je,wees sterk. Mensen en wensen. En hopen dat deze wensen mogen uitkomen. De grootste rijkdom is gezond zijn. Mijn gedachten werden verstoord door een herkenbare stem. Ik zag in de verte weer een glimp van rode schoenen en short. De patiënt had mijn medelijden bij zijn terugkeer naar huis. Het wachten liep ten einde. We liepen samen door de grote hal. Een vrouw trok mijn aandacht. Ze leek onwennig. Ze liep met ons mee. Blikken werden uitgewisseld. Ook zij nam het woord. Snel en veel. Het zal toch weer niet? dacht ik bij mezelf. Het leek wel de dag van druk pratende vreemden vandaag. Maar dit keer was het anders. Ze keerde zich naar de vriendin. Jij zit er al in...?zei ze, half vragend, half bevestigend. Ze wees naar de kankermuts. Deze vrouw was wanhopig. Ze hadden het me gegarandeerd. Het was geen kanker. Ze beklemtoonde de zin met een boosheid. En nu, nu heb ik het toch! Ik heb het net te horen gekregen. Ik stond perplex. Deze vrouw had net slecht nieuws gekregen, nieuws dat ze niet had verwacht. Nieuws dat ze haar eerst hadden gegarandeerd nooit te moeten aanhoren. Ze wou niet vechten, zei ze. Ze kon dat niet, zei ze. Maar ik zei dat ze moest. En toen liepen haar ogen vol. Tranen uit onmacht, boosheid, wanhoop. En ben jij meegekomen met je vriendin? Vroeg ze, terwijl ze me recht in de ogen keek. Ja, zei ik. Dat is mooi, zei ze. Ik heb ook een vriendin. Die zou dat ook doen. En ik heb een man en drie kleinkinderen. Wat moet ik hen vertellen? En weer sprongen de tranen in de ogen. Ik had haar zo graag eens goed vastgepakt, maar ik kende deze vrouw niet. Verder dan een schouderklop kwam ik niet. We namen afscheid na een tijdje. Ik heb haar gezegd dat ze moest vechten. En ze knikte, met betraande ogen, maar ze knikte en zei "ja". Dit was het meest bizarre en gelijk diepgaande gesprek dat ik ooit met een vreemde had gehad. Ze leek een praatgrage vrouw maar dat was niet zo. Ze zocht steun in haar slecht nieuws, dat ze vanaf nu tot thuis niet alleen kon dragen. Ik zal haar nooit vergeten. Hogelijk mag het goed met haar gaan. Ik ben er stil van. Klotekanker.
© A Waegeman op .

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties op dit artikel:

Als een auteur geen behoefte heeft aan feedback verschijnt er geen mogelijkheid voor reacties.