Voor schrijvers, door schrijvers
503 inzendingen in deze rubriek

Ook jouw tekstbijdrage is welkom en meedoen is gratis.

Cursiefje

Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 
Klik hier
Eerst inloggen of (gratis) aanmelden s.v.p. om je artikel in te zenden.
(klik op de button om in te loggen of je aan te melden)

114 Hits

Publicatie op:
Kamer 328

Twee lege bedden wachtten zij aan zij tot de matrassen zich weer zouden gaan plooien naar het menselijk leed, dat er op elk moment kon worden op afgeladen. Maar ik was géén brok ellende, voelde nergens pijn of nergens last, als ik kamer 328 werd binnengeleid. Ik moest dus ook niet worden afgeladen. Ik kon stappen, en zelfs lopen als een veulen – hoewel niet meer zó jong. Maar, dat ding moest er wel uit, dat zich diep in mijn lijf geniepig in een donkere gang verscholen had  en mij vanuit zijn schuilplaats de oorlog verklaard had. Zo een ding bindt de strijd niet aan met open vizier. Het verricht zijn duivels werk heimelijk, en dat heeft men maar beter tijdig in de gaten.

            Het onberispelijk gestreken onderlaken en het netjes gevouwen deken op het voeteneinde deden vermoeden dat ook het tweede bed nog onbeslapen was, maar dat was niet zo. Mijn kamergenoot was na de operatie niet naar zijn bed teruggebracht, maar van de operatietafel naar de afdeling voor intensieve zorg gebracht. Twee vrouwen stonden bedremmeld aan de deur van de kamer, gewrongen tussen hoop en wanhoop, en spraken op fluistertoon met het verplegend personeel. De mare, dat de operatie niet was verlopen zoals gepland, sijpelde door tot bij ons. Men had eens goed gegluurd in zijn buik en dan zonder verder overbodig werk de rits weer dichtgetrokken.

´s Anderendaags was ik aan de beurt. Tegen de middag werd ik naar het operatiekwartier gerold. Het zag er allemaal flashy uit. Ik telde de lampen in de verlichtingsinstallatie boven mijn hoofd en observeerde de blauwe en groene drukte rondom mij. Een hele equipe volgde routinematig de regieaanwijzingen van het draaiboek. Niemand sprak ook maar één woord. Alléén de anesthesist, die me daags tevoren op de kamer was komen opzoeken, groette me. De chirurge, die ik tevoren tweemaal ontmoet had, heb ik niet meer weten binnenkomen.

Nadat de duivel was uitgedreven en ik tegen de avond via een omweg langs de uitslaapkamer opnieuw op kamer 328 belandde, merkte ik dat het gordijn tussen de twee bedden was dichtgeschoven, zodat ik mijn kamergenoot, ondertussen geland, niet kon zien, en hij mij ook niet. Ik werd dus in alle discretie geïnstalleerd. Dan voelde ik twee lippen op het voorhoofd en een zachte hand, die door mijn haar streek. Om acht uur stipt, einde van het bezoekuur, stapten twee schimmen, de twee vrouwen van gisteren, de kamer uit. Mijn lieve Angela volgde een half uurtje later.

Al vroeg schoot de verpleging ´s morgens op gang. Tijdens de nacht waren de witte schorten regelmatig in en uit gelopen, want om de zoveel uren werden de medische parameters gecontroleerd en de lege baxters vervangen. Voor de rest baadde de nacht in stilte. Bij het krieken van de dag werd het echter ineens druk. De kamerdeur stond open, en het geluid van voetstappen en veel gepraat drong naar binnen. Mijn mond was vies en kurkdroog, maar ik kreeg geen druppel te drinken. Een bekertje met water stond wel op het kastje naast mij, maar ik mocht de hele dag lang niet méér dan met een borsteltje de lippen bevochtigen. Noch mijn buurman, noch ikzelf waren aan praten toe. We knikten eens naar elkaar. Het liefst van al viel ik weer in slaap, hopend dat ieder uur slaap mij dichter bij de heling zou brengen zonder er bewust te moeten op wachten. Trek had ik in niets. Carmiggelt, die ik voor enig tijdverdrijf in de kliniek vanonder het stof gehaald had, bleef geduldig op het kastje liggen. Zelfs de krant bleef onaangeroerd.

“We hebben hier pijnstillers in alle maten en gewichten,” verzekerde de verpleegster, “het is helemaal niet nodig dat jullie hier liggen af te zien. Als één baxter niet volstaat, aarzel niet om er één bij te vragen.” Dat zei ze met zoveel overreding, dat ik me één ogenblik moest weren tegen de verleiding om voortijdig het volgende infuus te laten aankoppelen. Maar ik wilde me niet kleinzerig tonen. Overigens was een glas water, zaligmakend water, me méér welkom geweest dan nog een pijnstiller.

Mijn buurman had het lastiger, véél lastiger. Zijn buik stond helemaal bol en wilde maar niet ontspannen. Vaak kon hij de pijn niet harden en belde hij om hulp.

            “Hebben ze het al eens met een canule geprobeerd?” , vroeg de verpleegster.

“Ja jaaaaaaa, ze hebben al met een stok in mijn gat gezeten”, klaagde hij.

Hij kreeg een bijkomend spuitje. Als eindelijk de pijn toch wat verzachtte, richtte hij zich plots tot mij, en zegde op zakelijke toon, alsof het een dienstmededeling was: “Ik kan niet meer genezen, ik ga eraan.” Ik veinsde verrassing. Wie in godsnaam had hem dat verteld? Dat wist hij hooguit een etmaal, maar hoe was hij dat te weten gekomen? Zeggen de dokters dat zomaar in je gezicht zodra je uit die nare slaap ontwaakt?

Toen ik ´s anderendaags aan het klein tafeltje tussen onze bedden plaatsnam om mijn eerste ontbijt te nemen, vroeg hij hoe ik heette. Hij heette Daniël, en was 28 jaar in dezelfde supermarkt slager geweest.

“Een prachtig bedrijf, altijd perfect op tijd betaald. En toen ik op brugpensioen ging, werden alle papieren vanzelf voor mij in orde gebracht.”

Zijn stem klonk hees, dat had de intubatie bij ons beiden uitgericht. Omdat het spreken  behoorlijk wat energie vroeg, sprak hij met tussenpozen en antwoordde ikzelf ook maar minimaal.

“In mijn tijd werkten we daar met 21 man. In de beenhouwerij was het om zes uur ´s morgens beginnen, en ik ben nooit ofte nooit vijf minuten te laat gekomen.”

Terwijl ik van de drie beschuitjes met jam genoot als van een festijn, spande hij zich in om zijn leven te vertellen, flarden uit het leven van een slager. Hij had de stiel geleerd van zijn oom in Anderlecht en was bij die oom blijven werken tot hij jaren later naar de supermarkt was overgestapt.

“Na mijn uren ging ik dan in ons dorp bij een beenhouwer werken, soms ook bij jagers, om uit te benen.” En terwijl hij een denkbeeldig kelkje naar binnen sloeg: “Bij de jagers was het werken met de fles op tafel. Die kennen er wat van. Maar niet van uitbenen, op dat punt zijn het echte knoeiers. Ze smijten dat dier in de wagen, gaan het thuis villen, snijden het open, maar ze spoelen het niet eens af. Dat bloed moet eraf, jong, op wat trekt dat, ´s anderendaags moet al dat bebloed vlees weggesneden worden.”

“Met de fles op tafel, zeg je. Is dat niet gevaarlijk? Je bent toch met messen bezig?”

“De fles komt op het einde, hé.”  En dan meteen terug naar de jacht: “Het vlees van wild is heel lekker, behalve van wild varken. Dat moet ik niet hebben, het is roze, en het smaakt zoet, bah!”

De verpleegster kwam binnen en versperde met het gordijn elkaars zicht. Daniël lag aan  meerdere sondes vastgekluisterd, zodat zijn bewegingsvrijheid erg beperkt was. Zijn voeding werd via een infuus toegediend, de pijn werd constant via een infuus verdoofd, zijn urine werd met een sonde afgetapt, het maagvocht eveneens. Geen prettig zicht. Als hij het drainagezakje met maagvocht zag, dat de verpleegster kwam ledigen, vroeg hij: “Oh, zien wij er zo groen uit van binnen?” Hij wachtte tot de verpleegster met zijn verzorging klaar was, en nam dan de draad van ons gesprek weer op. Zijn oogjes blonken als hij verder vertelde over de Vetten Os, de jaarlijkse vee-prijskamp in Anderlecht.

“Dat was een feest, man! Mijn nonkel kocht dan een vette os, een karkas in twee stukken, en die werd drie dagen lang in de etalage gehangen. Een andere beenhouwer kocht een schaap, weer een andere een varken, telkens prijsbeesten, die voor het venster gehangen werden. Wij verkochten op drie dagen tijd achtduizend zwarte en veertienduizend witte pensen. Kun je je voorstellen? Een week op voorhand begonnen we die klaar te maken, en tijdens de drie dagen van Vetten Os maakten we er gedurig aan bij. Dan komt men handen te kort, van overal kwam er familie om te helpen.”

Zijn enthousiasme sloeg me met verstomming. Die man had pas vernomen dat zijn dagen geteld waren, en zo kort vóór de eindmeet kon hij zich nog vrolijk maken over de Vetten Os.

Om twee uur ´s middags, aanvang van het bezoekuur, kwamen de twee vrouwen binnen. Ze waren er elke dag, stipt op tijd, zijn echtgenote en haar moeder, die bij hen inwoonde. Schoonmama nam al eens wat vroeger de bus naar huis terug, maar zijn vrouw bleef elke dag zolang de bezoekuren toelieten. De hele namiddag zat ze in de zetel naast zijn bed, vulde de tijd afwisselend met het lezen van de krant, het oplossen van kruiswoordraadsels en korte gesprekken met haar man. Tegen zessen at ze haar boterhammen. Als ze om acht uur afscheid nam, kuste ze hem met kleine snokjes goede nacht, en trok ze met lood in de schoenen huiswaarts. Vooraleer het nacht werd, telefoneerden ze nog eens met elkaar. Hij sprak haar aan met ‘Cieske’, en beëindigde het gesprek altijd met dezelfde korte kusjes als bij het afscheid een paar uur eerder. Gedurende de nacht praatte hij veel met zichzelf, stilletjes, minuten lang. Of was het met zijn Cieske? Ik kon het niet uitmaken. Hij sliep weinig, maar wel méér dan hij zelf dacht, want ik hoorde zijn gesnurk. De nachtverpleging stak sowieso een stokje vóór een rustige slaap.

´s Nachts was er nauwelijks leven te bespeuren in de gang. Om mijn buurman niet met het licht te storen, installeerde ik me ´s avonds met een boek in de lounge op het einde van de gang. Geconcentreerd lezen lukte me niet. Niettemin hielp Carmiggelt me om voor even  het ziekenhuis te verlaten. Vrij laat keerde ik naar de kamer terug. Op een keer stond een jonge dame in stagiaire-uniform in de gang de gegevens te overlopen, die ze bij de patiënten van kamer 326 geregistreerd had.

“En al die administratie, nietwaar?” zei ik.

“Het is erg. En alles nog op papier!”

Op dat ogenblik kwam haar mentor uit een andere kamer, zag dat ik in gesprek was met de leerlinge, en kraaide uit de verte: “28… 28… . 328… Ken je het nummer van je kamer niet meer?” .

“Toch wel,” opperde ik, ietwat geërgerd over haar inschatting.  “Maar het had gekund natuurlijk,” gaf ik toch toe, “een dagje met een keer, hé.”

Al vroeg kwam een verpleegster de volgende morgen mijn buurman halen.

“We gaan een fotootje van uw buik nemen,” lichtte ze toe, en voerde hem in de rolstoel mee.

“Ga je op reis, Daniël?” , vroeg ik.

            “Ze gaan een foto nemen. Ligt mijn haar goed?”

“Je moet je eens kammen, hé.”

“Ik heb het kort laten snijden vóór ik naar hier kwam, dan moet ik niet veel kammen, hé. Ik ben zelfs naar de pedicure geweest, ik zei: volledig in orde vóór ik binnenga.”

“En proper gewassen?”

“Dat zal wel zijn!”

Het fotootje nemen duurde niet lang, nog geen kwartier later was hij terug. Een vreemde vorm van solidariteit deed me méér moeite doen dan nodig was om traag en in hoekige bewegingen uit bed te stappen en naar het toilet te sjokken.

“Het is bij u ook nog niet goed, jong”, kreeg ik als beoogd resultaat te horen.

Halfweg de ochtend begon hij over zijn hond te vertellen. Hij was die op gezag van een dierenarts in Lommel gaan kopen en er meteen mee naar de dressuur getrokken. Alle scènes van de dressuur passeerden de revue. Hij rekte zich naar het kastje naast zijn bed, tastte naar zijn portefeuille in de lade, en haalde er een foto uit.

“Is dat je grote vriend, Daniël?”

“Dat zal wel zijn!”

Als hij wat later ook zelf naar het toilet moest, belde hij om assistentie. Het hele arsenaal van baxters, buisjes, en zakjes waarmee zijn leven vooralsnog aan elkaar gehouden werd, werd met behulp van een staander op wieltjes mee verhuisd. Hij stapte slepend achter de verpleegster aan. Toen hij terug was, zette hij zich op de rand van zijn bed, en lachte tegen me, terwijl hij met zijn handen links en rechts een boog tekende, als wilde hij zijn woorden tussen haakjes plaatsen.

“Je weet dat een beenhouwer altijd eerst naar de billen kijkt, nietwaar?”

Ik had niet direct door wat hij bedoelde, maar hij verklaarde zich nader: terwijl hij op de plee zat, had de verpleegster zich voorovergebogen om iets op te rapen.

"Een mooi stukje filet pur”, voegde hij eraan toe, en een beetje overbodig tekende hij de twee bogen nog eens in de lucht, als een veeboer, die met beide handen de beschrijving van een dikbil plastische ondersteuning geeft.

Mijn nacht was kort geweest, daarom zegde ik hem na de middag dat ik graag nog een uiltje wilde knappen.

“En wat ga jij doen, Daniël?

“Ik ga een beetje… . nadenken.”

“Nadenken, waarover?”

“Over mijn hond.”

Na precies één week werd ik uit de kliniek ontslagen. Hardnekkig bekroop mij de zinloze gedachte, dat daarmee een grote onrechtvaardigheid gestalte kreeg. De duivel had ons beiden aangevallen, maar alleen ik geraakte uit zijn greep. Ik nam node afscheid van Daniël en zijn twee vrouwen. Hij gaf me zijn vaste telefoonnummer, zei dat ik altijd welkom was. Ik drukte hem de hand, en wenste hem het beste. Het beste? Wat wás het beste voor Daniël? Het is zó onuitsprekelijk, dat ik het niet uit mijn pen gewrongen krijg. Ik ging het trio af, gaf ze om beurten de hand. Schoonmama ging er zowaar voor rechtstaan. De echtgenote bleef zitten. Ze keek me met doffe ogen aan, troosteloos, zoals een paard kijkt, dat ´s nachts heimelijk in de weide verminkt werd. Ze legde haar hand slap in de mijne. En alles wat ik voelde, was de krachteloosheid, die men voelt bij het begroeten van de weduwe na een begrafenisdienst.

 


Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "Kamer 328"

25.03.21
Feedback:
Een aangrijpend verhaal, Lieven en mooi geschreven.
  • Schrijfkwaliteit
    5.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

Heb je deze al gelezen?

  • Greta (166) Petra Thijs 04-10-2020

    Ik zit op een bank in het stedelijke park en onderga de drukte als een appelflauwte. Mijn lichaam is niet meer zo gehoorzaam als vroeger, het sputtert en protesteert, laat zich niet langer in een...

    Lees meer: Greta