Voor schrijvers, door schrijvers

Cursiefje

Naar Groningen
Inzendingen: 471
Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 
Naar Groningen
© Lieven Vandekerckhove op .
Aantal hits: 101

Het schermpje in de trein vermeldde dat we om 15:45 u in Utrecht Centraal zouden aankomen, doch kort vóór aankomst corrigeerde een omroepstem goedgeluimd: „Verwachte aankomsttijd in Utrecht is 15:43 u. Ik hoop dat u het ons kan vergeven.“ En nadat de trein het station van Utrecht weer had verlaten, rolde de stem het coupé weer zangerig binnen: „Dan gaat het nu lekker verder naar Groningen, over Amersfoort, Zwolle en Assen. Ik wens u een fijne reis toe, en alvast een heel fijn weekend.“ Zeker keek de man niet zélf tegen weekenddienst aan.

            Te oordelen naar de bezettingsgraad van de trein vangt het weekend bij onze noorderburen op vrijdag vrij vroeg aan. Tot ver voorbij Utrecht sukkelden passagiers nog steeds door de wagon op zoek naar een vrije plaats. En daar klonk het weer melodisch door de luidsprekers: „Dames en heren, u zal het al gemerkt hebben, het is behoorlijk druk in de trein. En dat betekent: jassen en tassen van de zitplaatsen weg, zodat iedereen een zitje vindt. Want daarvoor zijn de zitjes bedoeld.“

            Tegenover mij had een studente plaatsgenomen. Ze hield een dik schrift op haar schoot, doch dat liet ze voorlopig maar gesloten. Terwijl ze door het raam keek, telefoneerde ze honderduit. Het hele gezelschap rond haar kreeg daarmee de laatste stand van zaken gepresenteerd inzake de liefdesperikelen van twee boezemvriendinnen.

            „Zit er nog een kans in dat het goed komt, of ben je er echt klaar mee?“

            „… “

            „Misschien is het ook wel goed zo… “

            „… “

            „Ook niet zo denderend. Gewoon de omstandigheden en zo. Het loopt gewoon niet, het loopt niet. Er is altijd wat. Ik heb niet de idee dat het lang duurt.“

            „… “

            „Neen. Eén keer in de maand.“

            „… “

            „Ik wil niet graag vooruitkijken.“

            Naast haar zat een piekfijn uitgedoste dame een nummer van „Linda“ te doorbladeren. Zeker was ze moeders mooiste niet, maar de verpakking schoot haar te hulp: een lange zwarte jas, die naast haar knieën openviel, zwarte sjaal, zwart truitje, gitzwarte kousen, en zwarte laarsjes. Zwart gestijld van boven tot onder dus. Inderdaad, was der Herr nicht gibt, gibt der Schneider, spotten de Duitsers. Haar zwarte haar viel steil naast haar wangen tot op haar schouders, en boven haar ogen staken lange, tot op een fractie van een millimeter gelijk gesneden kunstwimpers vooruit, blinkend als waren ze met zwarte schoensmeer opgepoetst. Net twee rijen uit het borsteltje voor mijn scheerapparaat. Ze stoorde zich niet aan het getater van haar buurvrouw, of gaf daar minstens toch geen blijk van. Af en toe verscheen een glimlach op haar gelaat, ze kon zich dus nog voldoende verdiepen in haar lectuur.

            Zelf kreeg ik het op den duur wel op de heupen van dat luide telefoneren vóór mij, maar doordat de kletsmajoor hardnekkig door het venster bleef kijken, kreeg ik geen kans om mijn ogen de kogels te laten afvuren, die zich gestaag achter mijn lenzen hadden opgestapeld.

            De conducteur gaf me mijn uitgeprinte ticket terug: „Alstu“.

            „-Blieft“, liet ik geprikkeld vallen. Hij keek me onheilspellend aan, maar besloot dan maar om er toch geen halszaak van te maken, en ging verder met zijn knipwerk.

            „En netjes op tijd komen we aan in Amersfoort“, klonk het vrolijk door het coupé. De opgewekte stem van de omroeper leidde een ogenblik mijn aandacht af van de praatvaar vóór mij. Het duurde een tijdje vooraleer de trein weer koers zette naar Zwolle.

            „We zijn met een paar minuten vertraging vertrokken in Amersfoort. Dat komt doordat een goederentrein vóór ons stond, waardoor we even werden opgehouden.“ Zelf hield hij ook even op. En dan: „Ik wens u natuurlijk een goede reis.“

            Omdat maar weinig reizigers de lucht van Amersfoort wilden opsnuiven, had de eerste halte niet veel soelaas gebracht. Al maar door bleven passagiers door de trein lopen op zoek naar een vrije plaats. Meteen drong de omroeper er weer op aan: „Een tas, een jas, een koffer, haal ze weg. Laat uw medereizigers ook gebruikmaken van een zitplaats.“ En ter attentie van de staande populatie: „Als u meer naar achter loopt, hebt u meer kans op een zitje.“

            De jonge dame vóór mij en haar gesprekspartner ergens in het ijle hadden het ondertussen over een andere boeg gegooid.

            „Moeten we eens doen.“

            „… “

            „Ik heb niet echt  vakantie. Heb wel één dag vrij.“

            „… “

            „Nu is het wel mooi weer.“

            „… “

            „Ja, kan wel. Volgende week vrijdag, terrasje.“

            Het hield maar niet op. Maar om haar nu ook verbaal op haar nummer te zetten, miste ik de ballen.

            De dame in het zwart draaide de glanzende bladen van haar tijdschrift, en bekeek bladzijde voor bladzijde de foto´s. Af en toe glimlachte ze voorzichtig, bij andere foto´s rimpelde dan weer het voorhoofd. Haar neus werd er nog scherper door.

            „Netjes op tijd komen we aan in Zwolle. Vanuit Zwolle kan u verder met de sprinter naar… , de stoptrein naar… , en dan hebben we natuurlijk de intercity naar… “

            De chique dame legde haar tijdschrift opzij. Ze bekeek de binnenkomende passagiers, die zich haastten om al wie achter hen aan kwam in de rush naar een zitje nog voor te zijn. Haar handen waren zwaar beringd. Alsof ze wilde testen of één van die ringen, die over haar middelvinger een grote rode steen omvatte, nog wel veilig vast zat, schoof ze hem enkele keren over de vingerkootjes heen en weer. Een haar vóór de ogen stoorde haar, met twee vingers schoof ze het van vóór haar gezicht opzij.

            „Samen moesten we met vertraging vertrekken uit Zwolle. Dat komt doordat een heer zich niet goed voelde, en we effe moesten wachten tot er hulp kwam,“ lichtte de omroeper vertederend toe. Wie kon nu nog de Nederlandse Spoorwegen die vertraging kwalijk nemen?

            Het telefoneren vóór mij bleef maar doorgaan, van stad tot stad. Afwisselend keerde de jongedame de blik naar buiten en naar haar schoot. Neen, ze gaf mij geen kans, misschien vermoedde ze wel dat er onweer dreigde. Ze moest ‘zich de ballen uit de broek schamen’, las ik eens bij een landgenoot van haar. Maar ja, ze droeg geen broek.

            Ik keek naar buiten en genoot van een landschap, dat ik niet kende. Honderden kanaaltjes sneden het weidelandschap in stukken, soms maar op tien-twintig meter van elkaar. Ik genoot van de scenerie met de vele soorten watervogels, waarvan ik niet één bij naam kon noemen, stadsmus die ik ben. Hier moet ik komen fietsen, dacht ik.

            „En dames en heren, het mag ook gezegd, de machinist heeft uitstekend werk gedaan, we zijn netjes op tijd in Assen.“

            Zelf kon ik de vrolijkheid van de omroeper wel smaken, maar op geen enkel gezicht rondom mij kon ik zelfs maar een aanzet tot glimlach ontwaren. Of zouden in Nederland alle omroepers in alle treinen zo luchtig te werk gaan, zodat er voor mijn medereizigers misschien al sleet zat op dat soort entertainment?

            De babbelkous vóór mij nam eindelijk afscheid van haar boezemvriendin, en stak de oortjes weg. Ik zuchtte onfatsoenlijk luid, en liet mijn ogen knallen. Ze keek me even aan, schoot rood, en sloeg de blik naar beneden.

            „We hebben een kort oponthoud gehad in Assen“, klonk het alweer op dansende toon. „Een rolstoelgebruiker moest uit de trein geholpen worden. Onze verontschuldigingen voor het ongemak.“

            Ik werd er zo waar een beetje wantrouwig bij. Was er echt wel een rolstoelgebruiker in de trein aanwezig geweest, of behoorde die uitleg tot het repertorium dat de omroeper tijdens zijn opleiding was ingepompt voor het geval de Nederlandse Spoorwegen inzake stiptheid een steek laten vallen? Maar ik gaf hem het voordeel van de twijfel, hij verdiende het.

            En overigens kwamen we, ondanks de rolstoelgebruiker, “netjes op tijd in Groningen aan.” Kort vóór de trein stil stond, zweefde de vriendelijke stem uit de luidspreker een laatste keer het coupé binnen, om afscheid te nemen: “Ik wens u allen een stralend weekend. En vergeet vooral geen kinderen in de trein.”

Dit artikel delen?
Feedback voor schrijfactiviteiten

Hier jouw review voor: "Naar Groningen"

Geschreven door Lieven Vandekerckhove . Geplaatst in Cursiefje.
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen.
(327)
187 commentaren
14 nuttige stemmen.
08.02.21
Feedback schrijfkwaliteit
Mooie beschrijving van je treinreis. Leuk de afwisseling in irritatie en humor.
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Waardering schrijfkwaliteit
    80%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Lieven Vandekerckhove 09.02.21
    Dank je, Connie!
Emoticons: ;o = wink, :d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart