Voor schrijvers, door schrijvers

Cursiefje

Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 

104 Hits

Publicatie op:
Quasimodo

Met verstomming keek ik, samen met miljoenen andere kijkers over de hele wereld, naar de vlammenzee die het pronkstuk van de gotiek in Parijs aan het verzwelgen was. Tegen de zachtblauwe hemel van valavond verdrongen de zwarte rookwolken elkaar, waartussen het wild dansende vuur in alle richtingen zijn plaats opeiste. Lange tijd bleef het geraamte van de vieringtoren doorheen de vlammen herkenbaar, maar kippenvel bekroop me tot onder de oksels toen ik de spitse toren, zo hoog als de lengte van een voetbalveld, in beweging zag komen, zag overhellen, en dan als een reusachtige toorts op het schip van de kathedraal zag neerstorten. Uit de massa toeschouwers steeg een wanhopige jammerkreet op, die, alsof hij de val van de spits begeleidde, op de toonladder zakte tot het geraamte was neergeploft.

            Een commentator van CNN merkte op dat niet geweten was of er mogelijk nog iemand in het brandende gebouw aanwezig was. Meteen sprong Quasimodo me voor de geest. Die woonde toch in de kathedraal?

´Wat moet er van ons worden als ze tegenwoordig zulke kinderen maken?´ citeert Victor Hugo één van de vier liefdezusters die samen het gedrocht aankeken dat in de kribbe naast de Notre Dame te vondeling was gelegd.

            ´Het moet een zonde zijn om ernaar te kijken,´ zei een medezuster vol afschuw.

Het schepsel, dat ze een jaar of vier oud schatten, was zó wanstaltig, dat ze er nauwelijks een menselijk wezen in zagen.

            ´Me dunkt,´ opperde weer een andere van de vier, ´dat het een beest is, een dier, de vrucht van een jood met een zeug.´

            Een vormeloos hoofd met een bos rossige haren, een wrat die één van beide ogen bedekte, tanden ´die niets liever wilden dan maar bijten´, een kei van een bochel, benen ´als gedraaide pilaren´, en een gebulk ´dat een koorzanger doof maakt´: wie kan daar iets anders in zien dan een monster? Toch was er iemand die dat kon: de aartsdiaken van de Notre Dame, Claude Frollo, die, door medelijden bewogen, het creatuur meenam, en het adopteerde. Hij doopte het kind Quasimodo, naar de dag waarop hij de vondeling in de kribbe had aangetroffen, namelijk op Beloken Pasen, in Frankrijk ´Quasimodo´ genoemd. Hij huisvestte het hummeltje in een smal kamertje van de domkerk, ´verscholen onder een groot steungewelf als een vogelnest onder een tak.´ Hoewel hij in het klooster naast de kathedraal woonde, had de diaken ook zelf een geheime studeercel in de dom. Daardoor was hij maar zelden ver weg van het kind.

Zo werd Claude Frollo dus de stiefvader van Quasimodo. Hij voedde hem op alsof het zijn eigen kind was. Soms gingen ze samen de stad in, doch de mensen vergaapten zich op Quasimodo, en omdat de jongen zo vaak bespot werd, besloot de diaken finaal om hem een uitgaansverbod op te leggen. De kathedraal zou Quasimodo´s kooi worden voor de rest van zijn leven. In het massieve gebouw met zijn wirwar van gangen, trappen, cellen, nissen, gaanderijen, zuilen, platformen, torens en torentjes mocht hij gaan en staan waar hij wilde, maar op straat komen zat er voor Quasimodo niet meer in. Hij verkende elk plekje en elk hoekje van het kolossale gebouw. Géén van de vijf reusachtige verdiepingen van de zware torens aan weerszijden van het hoofdportaal kende op de duur nog een geheim voor hem. Hij hield van de marmeren beelden in de kerk, en sprak ertegen. Hij hield van de vele klokken in de torens, en streelde ze. Niets deed hij liever dan aan de touwen hangen waarmee hij dagelijks de klokken in beweging bracht nadat hij door de diaken als klokkenluider was aangesteld. Hij kroop op handen en voeten, klauterde langs torens en pinakels omhoog, en sprong van het ene uitsteeksel naar het andere. Vaak zagen de Parijzenaars vanop het kerkplein zijn gestalte hoog boven de begane grond weg en weer lopen, of het nu dag was of nacht. Zó zeer vergroeide Quasimodo met de kathedraal, schrijft Victor Hugo, dat hij er een wezenlijk bestanddeel ging van vormen: ´De Notre Dame was voor hem achtereenvolgens: het ei, het nest, het huis, het vaderland en het heelal.´

En nu stond dat ei, dat nest, dat huis, dat vaderland, het heelal van Quasimodo voor het oog van de wereld in lichterlaaie. De beelden ervan werden in alle windrichtingen uitgezonden. Af en toe gleed de camera over de belendende straten, waar biddende mensen, verlamd van verbijstering, de hemel om redding prevelden. Maar van redding was geen sprake, de vlammen sloegen verwoestend om zich heen. Miljoenen mensen waren er van ver of van nabij getuige van.

Terwijl ik op het televisiescherm de vuurzee aanschouwde, die de vieringtoren al in de as had gelegd, en ik de CNN-reporter zich hoorde afvragen of er nog iemand in het gebouw aanwezig zou geweest zijn, zag ik met gesloten ogen een andere brand, het vuur namelijk dat Quasimodo zelf ooit eens op het dak van de kathedraal had aangestoken. Neen, het was er Quasimodo toen niet om te doen, 'zijn ei, zijn huis, zijn  vaderland, zijn heelal' te vernietigen. Het was er hem om te doen, het zigeunermeisje Esmeralda, op wie hij verliefd was, tegen dreigend onheil te behoeden. Eerder had hij haar al eens uit de handen van haar beulen gered, toen ze op grond van een valse beschuldiging ter dood was veroordeeld. Vanop de gaanderij van de koningsbeelden had hij de voorbereiding van de executie op het kerkplein  gadegeslagen. Als de beulen zich klaar maakten voor de executie, had hij zich langs een touw naar beneden laten glijden, was op de twee beulen toe gelopen, had die met zijn geweldige vuisten neergeslagen, en was in géén tijd met het meisje hoog boven zich uit geheven de kathedraal binnengelopen, waar immers het asielrecht gold. Door een uitzonderlijk vonnis werd Esmeralda dat asielrecht echter ontnomen. Toen dit de zigeuners ter ore was gekomen, besloten ze om het meisje, dat toch één van hen was, nog tijdig uit de kathedraal weg te halen en ze aldus uit de handen van het gerecht te houden. Op een nacht trokken ze en masse naar het kerkplein om de dom binnen te vallen. Quasimodo had zijn laatste ronde door de kerk gedaan, klom  naar het dak, merkte de onverwachte massa, en vermoedde meteen dat er een aanval op til stond om Esmeralda uit het gebouw te halen. Dat dit met de beste bedoeling gebeurde, wist hij natuurlijk niet. Als de troep begon in te beuken op het portaal, probeerde hij hen met een regen van zware bouwmaterialen, die in de Zuidertoren opeengestapeld lagen, weg te houden van de toegangsdeur. Echt hels werd zijn verweer pas als hij erin slaagde om met zijn lantaarn ‘een onwaarschijnlijke brandstapel’ aan te richten op het platte dak, een voorraad lood te smelten, en dat gloeiende goedje langs twee stenen goten, die vlak boven de grote poort uitmondden, op de aanvallers te laten neerkomen. ´Het gehuil ging door merg en been.´  

Helaaas, tijdens de aanval van de zigeuners was het Frollo gelukt om met een list Esmeralda naar buiten te smokkelen. Niet om haar te redden, maar om haar voor de zoveelste keer zijn liefde te verklaren. Toen hij evenwel op haar definitieve njet botste, verried hij haar, en organiseerde haar uitlevering aan het gerecht. Vanop zijn uitkijkpost was Quasimodo getuige van de executie van het meisje, dat hij in stilte zo zeer had liefgehad. Hij zag hoe de beul met zijn voet de ladder wegduwde, waarop Esmeralda in haar wit kleedje stond met de strop om de hals, en hoe ´het arme kind twaalf voet boven de straatstenen heen en weer slingerde aan het einde van het koord.´ Nooit hebben de Parijzenaars daarna Quasimodo nog gezien of gehoord.

Dat onder de verschroeiende hitte van het vuur, dat Quasimodo op het platte dak van de kathedraal had aangericht, het dakgebinte toen niet is afgebrand, en dat Quasimodo niet heeft moeten rennen om in de vuurpoel niet om te komen, hebben we te danken aan de literaire verbeelding van Victor Hugo, die zijn held een ander heldhaftig einde heeft toegedicht. Als  twee jaar na de executie van Esmeralda het lijk van een gehangene werd weggehaald uit het knekelhuis van Montfaucon, het grootste galgenveld van Parijs, omdat aan de betrokkene de genade was verleend om ietwat eervoller begraven te worden, werden daar de overblijfselen van twee geraamten gevonden. Het éne was van een vrouw,  in flarden van een wit kleed, het andere van een man, gebocheld en met één kort been, en op merkwaardige wijze de vrouw omarmend. En, schrijft Victor Hugo, ‘de nekwervels van de man waren niet gebroken.’ Met andere woorden, het waren niet de stoffelijke resten van een gehangene. Van wie anders konden ze zijn dan van Quasimodo, die blijkbaar naar het knekelhuis was gekomen om er te sterven, finaal verenigd met Esmeralda. 

            Natuurlijk was Quasimodo niet meer in de kathedraal aanwezig toen ik het inferno op het televisiescherm zag woeden. Tenslotte heeft hij er ook maar in de verbeelding van Victor Hugo gewoond. Niettemin wekte de fatale brand die de kathedraal in de vernieling joeg, hem bijna tweehonderd jaar na zijn creatie onverwacht toch tot leven. Al was het maar voor even, en waarschijnlijk alleen maar voor mij.

 
Noot van de schrijver: Ik ontvang graag feedback

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "Quasimodo"