Klik hieronder op een van de mogelijkheden.

Arno

Over dit waargebeurde verhaal heb ik lang getwijfeld om het op te schrijven. Maar ik heb besloten het toch te doen. Waarom. Omdat ik het dan kwijt ben. Omdat ik het kan. Omdat ik het wil. En… Omdat ik de verwarrende bijhorende emoties wil delen.
De naam is fictief en de jaren kloppen ongeveer. Het is lang geleden en toch speelt het zo nu en dan door mijn hoofd.

Het is 1987.
Ik ben vrijwilliger tijdens de opbouw van een festival. Ik ben daar niet alleen. Samen met mij zijn er honderden vrijwilligers en professionals die dit festival mogelijk moeten maken. Wij, de vrijwilligers, slapen op het terrein, eten op het terrein, werken daar en vormen een soort eenheid waar niemand tussen kan komen. De sfeer is bijna altijd goed en altijd echt. Je hebt geen van ons ooit zo hard zien werken als daar. Wij geloven in die droom van dat festival waar wij zo van houden.

Arno is een van de vrijwilligers. Hij zit in een andere ploeg dan ik. Hij helpt bij het opbouwen van het podium en de verlichting en ik werk in de hekkenploeg. Tijdens alle maaltijden en ’s avonds zien we elkaar allemaal. Arno en ik kunnen niet goed door een deur. Hij is een zware wietroker en heeft lak aan de meeste mensen om hem heen. Uiteindelijk krijg ik dan ook grote bonje met hem omdat hij met zijn auto in de avond over het terrein scheurt en bijna een 17 jarige van mijn team ondersteboven rijdt. Hij krijgt een rijverbod op het terrein. Maar de ankers zijn gezet.

Arno en ik mijden elkaar. Met onzer beide grote bekken, het lak hebben aan wat de rest van ons denkt en een veel te grote eerlijkheid lijken we echter wel weer veel op elkaar.
Terwijl iedereen zich klaarmaakt om die avond in diverse groepjes op stap te gaan zegt plots een van mijn teamgenoten tegen Arno: “Zeg hippie, je gaat toch zeker niet met die bloemenhoed met ons mee, wel? Kun je je nu niet een keer effen normaal kleden”?
Het schoot me in het verkeerde keelgat. “Wat nou. Hoezo? Wat een onzin! Laat hem nou mooi in zijn bloemenhoed mee gaan. Misschien dat ie dan nog eens een bijtje kan versieren. Dat is meer waard als die trollen die jij uit hun diepste grotten tevoorschijn wil lokken met de geur die jij bij je draagt”. De toon voor de avond was gezet. Afzeiken zonder pardon werd het uiteindelijke onbesproken motto van de avond. Alle grieven van bijna twee weken op elkaars lip zitten, de vermoeidheid en de grootse verwachtingen van het festival kwamen door ieders strot naar buiten in de meest bloemrijke taal die je ooit van een stel metalheads hebt gehoord.

Eindhoven was de thuisbasis. Het ‘Stratums End’ vormde ons speelveld. En terwijl de meeste van ons zich grotendeels binnen de rokerige kroegen begaven zat ik al snel op een wiebelig bierbankje voor mijn stamkroegje.
Ik zie Arno naar me toekomen. Hij komt recht uit de tent tegenover me waar de lucht verzwaard is met die zoete geur van wiet en hasj. Hij zegt niets maar overhandigt me een pilsje en schuift naast me op het bankje. “Ik heb je mening nodig, jij bent eerlijk. Ik weet hoe je over me denkt. Precies de reden waarom ik dit aan jou ga vragen. Jij geeft me ook antwoorden die ik misschien niet wil horen”.

Ik neem een slok van het pilsje voor ik hem aankijk en besef dat hij het meent. Hij begint te vertellen en ik luister. Soms onderbreek ik hem om meer details te vragen maar het grootste deel van de tijd is Arno aan het woord. Als hij is uitgesproken staat hij op en loopt de kroeg in. Ik zit daar en drink mijn pilsje leeg. Arno komt terug met nog eens twee bier.

Dit was het begin van een nogal vreemde vriendschap. Het festival is allang voorbij en eens in de zoveel weken komt Arno ineens mijn stamkroeg binnen om te praten. Hij heeft nogal een kutverleden. Hij is ‘beschadigd” zoals ze dat binnen jeugdzorg zo mooi uitdrukken. Ik hoor hem aan. Advies geven doe ik niet. Ik luister alleen. Voor hem is dat voldoende. Soms blijft hij na een avondje stappen bij mij op de bank slapen. Gewoon omdat het kan en gewoon omdat hij zichzelf niet vertrouwd. Het is goed.
Het is een vreemd soort vriendschap. Cynisme over jeugdzorg, sarcasme over mensen in het algemeen. Lachen om de betrekkelijkheid van het leven.

Op een avond komt hij me weer opzoeken in mijn kroeg. Ik voel me op dat moment echt niet lekker in mijn vel zitten en geef hem als antwoord op zijn vraag: “kunnen we even praten?” een “liever niet nu. Ik zit niet echt goed in mijn vel. Morgen?”

Hij gaat.

Het is een zeven weken later als ik tijdens een concert wordt aangesproken. “Waarom was jij niet op de begrafenis. Je was er echt niet en godverdomme jij was zijn enige echte vriendin”. Verbaasd kijk ik naar een jongen die ik herken als een maat van Arno. Ik had hem wel eens gezien. Maar nog nooit een woord met hem gewisseld.
Uit zijn portemonnee haalt hij een bidprentje. Hij geeft het mij.
Ik kijk, lees en wandel met het kaartje de zaal uit naar buiten.

Godverdomme…
Als ik naar de datum kijk begin ik terug te rekenen.
Het zou kunnen kloppen. Verdomd. Het klopt gewoon. Eén dag. Eén dag nadat ik hem voor het laatste had gezien. Ik sta buiten. Naast me staat een krat met lege bierflesjes die de deur geopend houden. De portier kijkt me aan maar zegt niets. Ik overhandig het bidprentje aan de portier. De portier leest het bidprentje en laat me. Een voor een gaan alle vierentwintig flesjes kapot tegen de grond. De stoep is bezaaid met glasscherven en bierfleshalzen. Ik pak een bezem en veeg de scherven bij elkaar.
We ruilen. Hij de bezem en ik het bidprentje terug.
We zeggen niets.

Ik ga terug naar binnen. De maat van Arno zoekt me op? “je wist het niet?”.
Ik knik. Dan verlaat ik het concert en ga naar huis.
Emoties spelen op. Alles dwars door elkaar.
Had ik..
Misschien…
kutjoch..
Schuld, verdriet, verbijstering, ontzag, ongeloof, woede…
Alles passeerde me. Het was niet mijn eerste zelfdoding die ik meemaakte van redelijk dichtbij. Maar het was wel de eerste waar ik me zelf schuldig over voelde..
Het heeft een best lange tijd geduurd voor ik er vrede mee had. De tekst op het kaartje was zelfgeschreven. Het verklaarde zijn actie. Het verklaarde zijn zelfdoding.
Hij zei dat hij steeds meer op zijn vader begon te lijken en dat hij dat kost wat kost iedereen wilde besparen.
Ik denk aan wat hij me vertelde over wat zijn vader met hem gedaan had tot aan zijn 15de jaar. Het misbruik, de vernedering..
Ik denk aan zijn vriendin waarmee hij samenwoonde, waar hij regelmatig slaags mee raakte en die hij regelmatig min of meer verkrachtte wat hij mij ook opbiechtte. Ik denk aan wat hij zei toen zijn vriendin hem had verteld dat ze zwanger wilde worden van hem..
“Nooit, nooit. Ik ben geen vader..”

Later.. Nadat ik uiteindelijk zijn graf heb bezocht.
Heb ik meer respect gekregen voor hem omdat hij andere het verdriet wilde besparen wat hem al die jaren was aangedaan.
Ik voel begrip en respect voor zijn wanhoopsdaad.

Ik houd meer van hem nu dan dat ik ooit heb gedaan toen hij nog leefde…

© Ingrid Bruggink op .

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.