Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! 

133 Hits

Publicatie op:
De wending

              Boaz probeert de kou niet te voelen. De kou op zijn huid, de kou in zijn botten. Soms denkt hij dat de kou zelfs in zijn bloed is geslopen, maar dat is onzin, dat weet hij wel. Vanmiddag nog probeerde hij de zon te vangen in zijn muziek. Haar gouden licht, loom, laag, traag, dat verandert in een zilvergrijs waarin sommige kleuren opeens merkwaardig hel oplichten, helder, hoog, kort, tot tenslotte de rust van de inktblauwe nacht invalt, wegsterft tot stilte.

              Als niemand luistert, dan speelt Boaz. Het is niet stoer. Andere jongens kunnen heel hard rennen, goed vechten of ze hebben al haren op hun bovenlip. Dat kan Boaz allemaal niet, en hoe hij ook zoekt, op zijn bovenlip is nog niet eens het begin van een haar te vinden. Boaz kan wel heel goed fluit spelen. En hij heeft gemerkt dat niemand dat ook maar een beetje interesseert. Maar zelf wordt hij er rustig van, met zijn fluit kan hij beter vertellen dan hij met zijn stem ooit zal kunnen doen. Een stem vraagt om woorden, en woorden schieten vaak hopeloos tekort. Zoals eerder, toen het licht van goud via zilver naar nachtblauw veranderde. Geef daar maar eens woorden aan. Met zijn fluit kon Boaz het licht volgen, en soms leek het even andersom, alsof Boaz het licht leidde op haar reis van dag naar duisternis.

              Maar nu was het koud, Boaz had het vuur aangeblazen en opgepookt, zijn mantel om zich heen gedraaid en hij hield zijn vingers onder zijn oksels geklemd.

              Boaz moest in slaap zijn gesukkeld. Op zijn mantel had zich dauw vastgezet en toen hij ging verliggen schrok hij wakker van het kille water op zijn wangen. Boaz stond op, blies in de as om zijn koude vuurplaats weer op te vlammen en liep een stukje weg om te gaan plassen. Hij had gedroomd, hij wist niet meer precies wat, maar hij was hoopvol wakker geworden, vol verwachting, alsof het leven een wending zou nemen.

              ‘Een wending, ja hoor. Net had ik het koud en nou word ik wat warmer van mijn eigen gezeik, daar heb je je wending’, dacht Boaz. Hij moest er een beetje om lachen.  

              In een houten kot verderop zag hij licht door de kieren sluipen, een vuur, in elk geval een stuk beter dan zijn eigen vuur. Hij trok zijn mantel nog wat dichter om zijn schouders, stapte over zijn dampende pis heen en ging kijken wie er was. Chaïm misschien, of Jaron. Vreemd, hij had gisterenavond niets gezien, en niemand had hem opgezocht. Meestal gingen de jongens van het dorp wel even bij elkaar langs, ze zochten elkaar op en vertelden verhalen over de meisjes van het dorp. Maar gisterenavond had hij niets of niemand gezien.

              Uit het houten kot kwam geschreeuw als van een jong dier, pasgeboren. Boaz ging wat harder lopen, hij begreep er niks van. Het was helemaal geen lammertijd, en de jonge geitjes van dit jaar waren alweer halfwas. Voor zover hij wist had niemand in het dorp nog een drachtige geit of schaap. Ook de ezels hadden hun jongen al lang geworpen. Een vreemde kudde, zou dat het zijn? Maar daar zou hij dan toch wel van gehoord hebben?

              Boaz was bij het kot en hoorde nu snikken, een vrouw? Wat huilde een vrouw hier nou in een kot, midden in de nacht? Toen Boaz in het kot keek begreep hij eerst niet helemaal wat hij zag. Bloed zag hij, en slijm, natuurlijk na een worp. Maar hij zag geen moederdier, hij zag een jonge vrouw, met haar rug tegen een baal wol, snikkend, doodsbang, uitgeput, met blote benen op een bloederige hoop vodden. En een man, geknield, met een kind in zijn handen, pasgeboren, Boaz zag dat het kind nog helemaal nat was van het vruchtslijm, net een pasgeboren lam. De man wist duidelijk niet wat te doen, zat daar maar met dat kind in zijn handen, keek radeloos om zich heen. Boaz wendde zijn blik af en kuchte.

              ‘Hé, jij’, riep de man met een vreemd accent, Boaz kon hem amper verstaan, ‘weet jij iets van vrouwen en kinderen?’

              Boaz wist helemaal niks van vrouwen, hij had nog nooit een vrouw met blote benen gezien. En van kinderen wist Boaz ook niks. Ja, van zijn kleine zusje, Ela, dat hij haar snotneus moest afvegen. Maar meer wist hij niet. Kinderen krijgen is een vrouwenzaak.

              Maar Boaz wist wel van geiten die jongen werpen, en van ooien die lammetjes op de wereld zetten. Geiten en schapen zijn zo’n beetje gelijk als ze jongen, misschien was het bij mensen wel net zo. Dat was het beste wat hij nu snel kon bedenken. Die man wist het al helemaal niet, dat was duidelijk. De streng hing nog tussen de benen van de vrouw, aan het kindje vast.

              Boaz zei tegen de man: ‘Leg doeken over de buik en de benen van de vrouw, dat hoef ik niet te zien. Maar het kindje moet er buiten blijven. Het huilt, dat is goed, bij de geitjes ook, als ze stil zijn is het niet goed. En de streng moet door.’ De man zei niets, het leek of hij Boaz niet gehoord had. Toen Boaz hem aanstootte, gaf de man een raar geluid, een soort van ‘kuk’. Boaz hoorde het maar half.

              ‘Hoe? Met een mes, een scherpe steen, bijten is ook goed’.

              De man leek weer te horen wat Boaz zei, kwam in beweging. Hij legde het huilende kindje zacht op de doeken tussen de benen van de vrouw en stond wankel op, met stijve knieën van het lange zitten. Uit een tas in een hoek van het kot haalde de man een mes, hij schutterde er wat mee in het rond. Boaz nam hem het mes uit zijn hand en sneed de streng door, zoals altijd weer verrast over hoe sterk en stug die is. De man keek vol afschuw toe, maar pakte toen het kind van de doeken en begon het met zijn mantel af te drogen.

De vrouw staarde met angstogen naar Boaz, en naar het mes in zijn handen.

              ‘Het mes is niet meer nodig, kijk, ik leg het weg’, zei Boaz tegen de vrouw en tegen zichzelf. ‘Maar de nageboorte moet nog komen, geloof ik.’ Boaz duwde zacht op de buik van de moeder, zoals hij bij de ooijen doet, en trok een beetje aan de streng. Een bloederige klodder gleed naar buiten.

              De man begon te huilen. ‘Dood, ze gaat dood, zoveel bloed, dat haalt ze nooit’.

              Boaz wist het nu ook niet meer. Een geit stond na het werpen gewoon op, likte het jonge geitje schoon, en het pasgeboren geitje probeerde meteen al op zijn pootjes te staan. Maar bij mensen wist hij het niet. De vrouw kon nu niet opstaan, dat zag hij wel. Het kindje was droog gewreven door de man, dat was goed, en de man had het in doeken tegen zich aan, dat was warm genoeg, het huilde al niet meer. En de man was bij de vrouw gaan zitten, die nu achterover lag, met haar hoofd op het been van de man, met haar neus in de doeken bij haar kind.

              Al met al zag het er uit alsof er iets was afgerond, vond Boaz.  

              Hij ging buiten de hut naar hout zoeken, die drie daarbinnen hadden nog wat kou te gaan, een goed vuur zou helpen. Boaz schrok van een ezel, een touw om zijn ene voorpoot en zijn andere achterpoot, die hem in deze wonderlijke nacht rustig aankeek, zijn snuivende adem dampend in het donker. Boaz streelde de hals van het dier en ging even met zijn rug tegen de warme buik hangen. De ezel leunde goedig met zijn gewicht terug, en duwde zijn fluwelen neus in het kuiltje van de schouder van Boaz - vertrouwde warmte in een nacht die als geen andere was - en even had Boaz het gevoel dat alles goed was.

              Hij pakte zijn bundel hout op, ging het kot weer binnen en blies het vuur op. Hij legde een dikkere tak in de vlammen en het dunnere hout een beetje aan de kant. De man knikte hem toe en wenkte Boaz dichterbij, stil! Het kind leek tevreden, zo zag Ela er ook uit toen ze klein was, en dan was moeder gerust. Boaz keek snel nog even naar de vrouw. Ze lag nu onder een deken en ze ademde rustig, leek te slapen. 

              ‘Dankjewel, duizendmaal dank, God zal het je lonen’, fluisterde de man tegen Boaz, ‘Het is een jongetje, we noemen hem Jezus: Jahweh redt’. Boaz begon al een beetje aan het vreemde accent van de man te wennen, kon hem makkelijker verstaan.

              ‘Ze hadden hem beter “Boaz redt” kunnen noemen’, dacht hij opgelucht giechelig toen hij met trillende benen het kot uit liep, terug naar zijn kudde.

              De dieren zijn onrustig, hebben hem gemist. Nu hij er weer is laten ze hun lange nekken korter, zakken hun geheven koppen en sluiten hun gesperde neusgaten. Ze zakken door hun voorpoten en gaan liggen om te slapen. Boaz blaast weer leven in zijn vuur en rolt zich in zijn mantel. Maar slapen kan hij niet. Hij staart in zijn vuur, vragen stormen op hem af. Wat was er nou eigenlijk gebeurd? Wie waren die mensen? Hoezo ging die vrouw hier bevallen? In een kot in de woestijn? Hadden ze geen baarvrouw in haar dorp? Elk dorp had toch een baarvrouw? Hier is geeneens water. Dat weet iedereen.

              Boaz denkt aan de verwachting, de hoop waarmee hij eerder deze nacht wakker geworden was. Nu voelt hij zich alleen maar verward en uitgeput. De takken van het vuur zakken in elkaar. Hij ziet hoe de vonken omhoog kringelen, verborgen boodschappen schrijven in de lucht. Misschien vertellen zij hem wat de wending in zijn leven is? Maar de vonken verdwijnen, juist op het moment dat hij denkt hun geheim te kunnen lezen.  


Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "De wending"