Klik hieronder op een van de mogelijkheden.

Ergens Anders

Marnix zat met hangende schouders achter zijn zorgvuldig opgeruimde bureau. Naast zijn rechterhand, die op de muis lag te rusten, stond een halfleeg flesje bier. Op de grond naast zijn bureaustoel stonden nog twee lege flesjes. Met donkere kringen onder zijn ogen staarde hij naar zijn beeldscherm. Hij had alle benodigde gegevens ingevuld. Zijn horloge wisselde het tikken af met de klok die achter hem aan de muur hing, als een onrustige hartslag. Hij klikte op ’bevestigen’.

‘Kerel, waarom geef jij je in godsnaam op voor vrijwilligerswerk? Wie doet zoiets nou onbetaald?’’, vroeg Korrein. Marnix kende hem al een aantal jaar van de studie en van de wekelijkse (of eerder dagelijkse) borrels die na hun eerste ontmoeting volgden. Ze woonden samen met vijf andere studiegenoten, die eveneens het prestatievermogen van hun lever op de proef stelden. De hedonistische uitspattingen hadden Marnix al enige tijd koud gelaten, waardoor de alcoholische roes ook niet meer verdoezelde dat hij in dit rumoerige studentenhuis op academisch niveau weinig vooruit kwam. Eigenlijk wist hij niet eens meer of zijn carrière hem nog wel kon schelen. Hij aarzelde. ‘Dat staat goed op je CV, gast.’

Twee weken later waren de papieren rond en stond Marnix – te vroeg - voor het verzorgtehuis, of, zoals hij het noemde, ’het wachthuis‘. Blijkbaar vond men “De Gele Tulp” optimistischer klinken. Het stond met haast kinderlijke letters op de voorgevel geklad. Hij stak een sigaret aan, rookte deze met grote halen voor de helft op en gooide het nog brandende restant in het bloemenperkje naast de hoofdingang. Bij de servicedesk wachtte een vrouw hem op, van wie hij eerder zou inschatten dat ze bewoner dan medewerker zou zijn. Haar grijze haren zaten in een strenge knot en ze droeg zwarte crocs. Marnix keek naar de afzichtelijke schoenen en zag dat haar beenhaar even zwart was. Haar stem klonk schril:  ‘De algemene dienst heeft het al druk genoeg, dus verwacht van hen maar niets. De dag- en nachtverzorgers hebben al helemaal hun handen vol, dus als je vragen hebt, improviseer dan maar. Of vraag het een bewoner. Niet die van de afgesloten afdeling,  “De Sneeuwklok”, daar heb je toch niets meer aan’. Ze sprak met een tempo dat haar ongeduld niet verbloemde. ‘Ik ben Marnix,’ zei hij. ‘Ja, heel fijn dat je er bent, Marnix, maar ik heb zelf nog een waslijst van hier tot ginder, dus als je het niet erg vindt, breng ik je naar jouw buddy en dan kan ik weer verder.’

Iedere ruimte of hal had een naam toebedeeld gekregen. De afdeling waarheen hij werd begeleid, had ook een naam: “De Stille Weide”. Doodstil. Marnix durfde haast zijn keel niet te schrapen, voor hij vroeg hoe zijn buddy - wat een achterlijke term - ook alweer heette. De verzuurde pruim antwoordde zuchtend dat het om Arend Verstegen ging. Uiteindelijk kwamen ze bij een deur waar met blauwe balpen “Ergens anders” op was gekrast. De Zure klopte enkele malen luid op de deur en verdween zonder verder iets te zeggen de hallen weer in. In de krappe kamer  trof hij wat bescheiden meubilair, een minder bescheiden boekenkast, een klein bed en een paar foto’s van (steeds) dezelfde vrouw op verschillende leeftijden aan. Geen meneer te bekennen - ook prima. Achter hem hing een ouderwetse wandklok, die kalm doch luid tikte. Aan de overstaande muur hing boven de TV een bombastisch gekleurd, abstract schilderij. Na even met opgetrokken neushoeken ernaar te hebben gestaard, wendde hij zijn blik af naar het raam. Dit keek uit op het binnenhofje dat de kamers van De Stille Weide met elkaar verbond. Toen zag hij dat de deur naar buiten openstond. Buiten scheen de zon op het grasveldje en op lelijke, bruine bloempotten die langs de smalle zijden van het grasveld waren geplaatst. In een hoek van het veld stond een schop scheef tegen de muur geleund. Aan de overkant stond een eenzaam bankje in de schaduw. Op het bankje zat een ietwat tengere man met een versleten, beige vissershoedje naar Marnix te kijken. De man begon te zwaaien, maar stond niet op, dus Marnix struinde weifelend – alsof hij hier voor iemand anders op bezoek zou zijn – richting de man. ‘Jij bent vast Marnix Kroon!’ Marnix knikte: ‘U bent meneer Verstegen, toch?’ ‘Ach joh, doe niet zo verlegen, noem me gewoon Arie!’ Weer bulderde de iele oude vent met die verbazend diepe stem, terwijl hij met heldere ogen Marnix strak bleef aankijken. ‘Kom, dan leid ik je even rond,’ vervolgde hij, en hij stond met een lichte kreun op. Wederom lachend zei de oude man dat aangezien Marnix zijn kamer toch al gezien had, ze gelijk door konden naar de rest van de saaie teringbende. Toen ze via de kamer van de oude man liepen, gooide hij de verfomfaaide vissershoed op het bed, en liep hij met stevige pas door naar de hal. ‘Aangezien ik het geklop op de deur van buiten kon horen, heb je vast mevrouw Beenman al ontmoet. Geen zorgen als ze nors was; dat wijf doet altijd alsof ze met haar dikke reet op een cactus is gaan zitten.’ Marnix bevestigde met slechts een knik. Normaal gesproken was hij niet zo stil, maar hij was niet gewend dat bejaarden zo uitgesproken waren. Zijn eigen grootouders waren overleden toen hij nog klein was, maar toen zijn ouders nog bij elkaar waren, was hem altijd ingehamerd om beleefd en ingetogen te zijn tegen ouderen.

Vervolgens had de oude man nog een paar medebewoners bespot en zelfs bij ene mevrouw Van der Smit aangeklopt om Marnix als een soort trofee te introduceren, waarna ze belandden bij een soort woonkamer en keuken in één. De oude man ging verder met zijn rondleiding: ‘Dit is de algemene ruimte, waar je eventueel met de rest van de senieltjes samen kunt eten of oude puzzels kunt maken. Van de meeste missen stukjes. Ik eet zelf liever op mijn kamer, want het eten is meestal ook niet te hachelen. Als er wel iets smakelijks op het menu staat, eet ik hier, want met een beetje mazzel kan je ongezien van het dienblad een extra toetje meepikken. Hebben ze toch niet door.’ Hij glimlachte zo trots dat Marnix het niet kon laten om mee te lachen. Op de terugweg naar de kamer zag Marnix het bordje naast de ingang van de algemene ruimte: “Het Groene Gras”.

Nadat de klok drie uur sloeg, was het uurtje om en ging Marnix direct naar huis. Hij vroeg zich af of hij de taken naar behoren had vervuld, omdat hij eigenlijk alleen maar wat had zitten ouwehoeren met de oude man over zijn studieleven, en over dat zijn moeder alleen woont omdat zijn vader al jaren geen contact meer heeft met de familie. Bij vorige baantjes had hij sterker het gevoel dat hij aan het werk was. Later die avond kwamen zoals gewoonlijk Korrein en wat vrienden in de woonkamer borrelen.

Lange tijd ging Marnix ieder weekend naar de oude man en iedere keer ging hij ook na precies een uur naar huis om op de bank te ploffen naast zijn huisgenoten, die dan al dronken waren. Zo ook dit weekend. Nadat Marnix bijna een uur had gekletst, voornamelijk over zijn borrelverhalen, aangezien hij verder zijn tijd aan weinig anders besteedde, begonnen zijn gedachten weer te knagen. ‘Zeg, meneer Verstegen… Ik bedoel, Arie… horen we eigenlijk niet iets te doen tijdens mijn bezoeken? Ik bedoel, ik vind dit ook best hoor, maar aangezien ik dit baantje wel voor mijn CV wil gebruiken, wil ik geen risico lopen dat ik achteraf te horen krijg dat we allerlei activiteiten of iets dergelijks hadden moeten doen.’ Arie mopperde kort dat Marnix inmiddels echt eens van dat “meneer” en “u” af moest raken, en iets binnensmonds over dat CV’s toch geen drol uitmaken. ‘Maar knul, wat stond er dan in die “baanomschrijving” dat je dacht hier te moeten gaan doen?’, zei hij met cynische nadruk op “baanomschrijving”. ‘Nou, in principe moet ik u… jou uit de sleur zien te houden en je vermaken, dus ik denk dat jij op zich mag invullen wat het dan is, wat je graag zou doen’. Er verscheen een haast ondeugende glimlach op het gezicht van Arie. Zijn huid mocht dan al teer en vlekkerig zijn, maar hij straalde wel af en toe. ‘Oké, buddy’, sprak hij spottend, ‘gaan we volgende week eens wat actiefs doen als jij je verveelt.’

Korrein en de jongens waren al enige tijd bezig met een figuurlijke piswedstrijd: wie er de beste en meeste connecties hadden vergaard bij het netwerken, wie er later het meeste gaat verdienen en wie er het meeste had geneukt. Marnix zat al een tijdje afzijdig achter de computer. Korrein kwam met een klotsend glaasje whisky naast hem hangen. ‘Hey lul, hoe timmer jij eigenlijk aan de weg? Nog geneukt in dat tehuis of heb je inmiddels écht werk?’ sprak hij met dikke tong. Wat boeit het jullie. Die avond ging hij vroeg slapen. Op weg naar zijn slaapkamer joelden de jongens vanuit de woonkamer hem nog na dat hij niet zo’n laffe borrelaar moest zijn.

Na verloop van tijd ging Marnix met plezier op de fiets naar De Gele Tulp, al vond hij de manische voorgevel nog steeds een bizar contrast met het afgestompte, uitgewoonde personeel (met mevrouw Beenman aan de top). Hij betrapte zichzelf erop dat hij benieuwd was naar de nieuwe verhalen van Arie en naar binnen ging zonder te roken. Die vent kan zijn boodschappenlijstje nog op een leuke manier vertellen. Bij binnenkomst van Ergens Anders vond hij geen Arie. In de binnenhof, waar de schop inmiddels in de andere hoek van de smalle zijde stond, ook niet. Er bekroop hem een onbehaaglijk gevoel en hij krabde even in zijn nek voordat hij naar binnen terugkeerde. Hij ging de hallen af en kwam bij Het Groene Gras. Opgelucht zag hij Arie, die ondertussen druk bezig was kopjes  kopjes op het aanrecht te plaatsen. Arie zag Marnix, en gebaarde met vinger voor zijn lippen dat hij stil moest zijn. Met glinsteroogjes fluisterde hij – alsnog tamelijk hard – dat Marnix hem moest helpen. Marnix begon spontaan ook te fluisteren: ‘Wat zijn we aan het doen?’, terwijl hij al begon wat kopjes te verhuizen. ‘Jij wilde toch iets doen wat ik graag doe? Dan verander ik iets aan deze dooie boel hier! Dat zal mevrouw Man-Benen ook eens leren die stok uit haar reet te halen!’, gniffelde hij. Vervolgens trok hij een ander kastje open, waar de borden in stonden. Één van de borden viel kapot, waarna Arie bars opmerkte dat zijn spierkracht het soms liet afweten. Hij zweeg even, maar pakte het volgende bord. Ze vertrokken pas muisstil, nadat alle borden met de kopjes waren verwisseld. Met bijna ingehouden adem, om niet in lachen uit te barsten, sprak Arie nog steeds in fluistertoon: ‘Daar kan Man-Benen helemaal van over haar toeren raken!’. Met zelfgenoegen keken ze elkaar aan en begonnen toch te lachen. Twee uur later, al keek Marnix inmiddels vrijwel nooit meer naar de klok, hoorden ze op de gang het boze getier van mevrouw Beenman, die de dader wilde opsporen. Bij gebrek aan een dader, kregen uiteindelijk De Sneeuwklokkers maar de schuld. Die hadden daar gelukkig geen last van.

Naarmate de weken vorderden, verminderde het contact met Marnix’ huisgenoten. Korrein sprak meermaals zijn ongenoegen uit over de nutteloze bezoekjes aan “die oude lul” en predikte regelmatig dat die tijdverspilling geen enkele bijdrage zou leveren aan hun netwerk. Marnix had hier ondertussen weinig boodschap meer aan.  Arie had meer levenslust dan al zijn huisgenoten bij elkaar.

Op een wat minder met kwajongensstreken gevulde dag, na lang met de vraag te hebben gewacht, vroeg Marnix naar de tekst op Aries kamerdeur. Voor het eerst sprak Arie met serieuze toon. Hij nam diep adem voordat hij sprak: ‘Luister knul, als je een dagje ouder wordt, word je toch beperkter in je doen en laten. Zeker vroeger kon ik daar best wat somber van worden. Als ik me dan bij mijn vrouw ging beklagen dat de jongeren hun  jeugd verspillen, sprak ze me vaak streng toe dat het gras áltijd ergens groener is. Nadat zij…’ Hij zweeg even en keek naar de foto’s op het wandkastje. ‘Toen kon ik een lange tijd helemáál geen kleur zien.’ De klok tikte zwaar. ‘Toen ik uiteindelijk hier naartoe werd gedeporteerd, zag ik dat die ruimte “Het Groene Gras” heette, en kon ik voor het eerst weer lachen. Het was alsof zij naar me knipoogde. Sindsdien heb ik me voorgenomen in mijn leven het gras zo groen mogelijk te maken.’ Hij keek nu voorbij de foto’s door het raam naar de binnenhof. ‘Zie je dat hoekje daar? Dit hele veld is van kunstgras. Het is een wonder dat de bloemen in die potten echt zijn,’ lachte hij schamper, ‘Maar soms héb je geen echt gras meer, dus dan denk ik maar “groen is groen”. Toen ik hier kwam wonen, heb ik die schop meegenomen. Als iedereen slaapt, werk ik soms stiekem eventjes verder aan het losmaken van de matjes gras. Als de dag komt dat mevrouw Man-Benen me er niet meer voor kan straffen, wil ik mijn hele kamer vullen met dat gras. Dan is Ergens Anders het allergroenste en mag zij het lekker maaien.’ Arie pakte een van de foto’s op en snifte even. Zachtjes voegde hij nog toe: ‘Kan ik weer het gras met haar delen.’ Samen deelden ze een poos uitsluitend het tikken van de klok. Pas na het avondeten, Marnix had gekookt, ging hij weer naar huis.

Het was herfst en druilerig weer, maar dat hield Marnix niet tegen. Helemaal natgeregend, vluchtte hij De Gele Tulp in. Zijn vrijwilligerswerk was officieel al lang voorbij (wat mevrouw Beenman niet doorhad), maar hij kwam alsnog graag voor Aries gezelschap. De hallen waren weer stil als altijd. Ergens Anders zat op slot, wat wel ongebruikelijk was. Wellicht dat Arie al de volgende streek was gestart zonder op Marnix te wachten. De gordijnen waren ook dicht, waardoor in de kamer niet veel te zien was. Verderop in Het Groene Gras trof hij mevrouw Van der Smit aan, met wie hij ondertussen wel vaker had gesproken. Ze keek verschrikt op en haar gezicht betrok nog sterker toen ze hem herkende. Nee, we zouden nog... ‘Och, Marnix toch…’ sprak ze, terwijl ze begon te snikken. Nee.

Het was alweer enkele weken geleden. Hij had via de kamer van een andere bewoner de binnenhof kunnen bestormen. De kamerdeur naar de binnenhof van Arie was nog open en voordat de medewerkers het doorhadden, had Marnix bijna een kwart van het veldje op de vloer van Arie zijn kamer gesmeten. Groene kant naar boven. Voordat het af was, werd hij weggestuurd, met de boodschap van mevrouw Beenman dat hij geen referentie hoeft te verwachten voor zijn CV.

Hij zat al een tijdje voorovergebogen achter zijn bureau. Naast zijn rechterhand lag een oud vissershoedje. Op de grond stonden lege, groene flesjes bier. Groen is groen. Het dronken gelal van zijn huisgenoten doofde langzaam. Plots werd hij zich bewust van het zachte getik van zijn horloge. De klok achter hem stond stil.

Ik wil Ergens Anders zijn.

© dagboek nachtmens op .

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.
16.04.22
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
Met plezier gelezen!
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
16.04.22
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
Graag gelezen.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig