Voor schrijvers, door schrijvers
964 inzendingen in deze rubriek

Ook jouw tekstbijdrage is welkom en meedoen is gratis.

Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen.
 
KLIK HIER om naar flitsverhalen te gaan.
Klik hier
Eerst inloggen of (gratis) aanmelden s.v.p. om je artikel in te zenden.
(klik op de button om in te loggen of je aan te melden)

253 Hits

Publicatie op:
François

Daar stond ik dan. Op hetzelfde perron als die dag in februari 1943. ‘Hou je taai jongen. Het is hooguit voor een paar maanden, voordat je het weet ben je weer thuis,’ had mijn broer gezegd.

    Ik moest toen wel, anders zou de mof represaillemaatregelen nemen tegen mijn broers en vader.

    De trein was moderner, maar het traject nagenoeg hetzelfde. Bij ieder station had ik de neiging uit de trein te springen, maar bij één hield ik me stevig aan de stoel vast: de jongen die de trein uit vlucht en met zijn koffertje de bossen in rent. De militair die zijn karabijn van zijn schouder haalt en rustig aanlegt alsof hij op de kermis tinnen konijntjes gaat schieten. Dan de knal en de vallende jongen. Zomaar in z’n rug geschoten.

    Deze keer geen gedwongen reis. Over een paar uur zou ik hem eindelijk weer ontmoeten: François, mijn Franse vriend uit Bremen, Lager Weserlust. Uit mijn zak haalde ik het krijtje waarmee ik hem Nederlandse woorden had geleerd.

    In trance liep ik de route naar de Weser, waarin ik nog had gezwommen. Ik hoorde het geklik van soldatenlaarzen op de kasseien die nu door asfalt vervangen waren. Het bakkertje was veranderd in een patisserie. De toonbank met daarop het mandje waarin ik één voedselbon legde en er vliegensvlug weer drie uit pakte was verdwenen, evenals het mooie meisje achter de toonbank met altijd de rode roos in haar haar.

    Ze had me een keer betrapt – dat wist ik zeker – maar net gedaan of ze niets had gezien. Een paar meter verderop moet het verregende biscuitje hebben gelegen dat ik had opgeraapt; de ‘bunkersoep’ met wat koolraap en een waterige aardappel uit het lager voedden totaal niet. Nog een paar meter… Ik stond voor Lager Weserlust. In neonletters stond Hotel op de gevel geschreven. Ja, hotel… dansende luizen boven de vensterbanken.

    Ik schrok toen er op mijn schouder werd getikt. Ik draaide me om… Een mannetje met een kromme rug en een alpinopetje op, had mij herkend: het was François! We omhelsden elkaar op de Franse manier. Tranen, meer tranen… maar ook een lach. François deed zijn hand in zijn zak en haalde er een stompje krijt uit. Ik deed hetzelfde. Hij hurkte moeizaam en schreef een vraagteken en wat woorden op een trottoirtegel. De rest ging met gebarentaal. Ik begreep wat ie vroeg en maakte hem duidelijk dat ik grotendeels te voet naar Nederland was gevlucht.

    Ik keek naar François’ kromme rug en handen en schreef op een tegel: FARGE? Als je naar strafkamp Farge werd gestuurd, dan kwam je niet of verminkt terug. François knikte.

    We liepen de foyer door, de tuin in. De bunkers waren verdwenen: een van zand voor de dwangarbeiders en een betonnen voor de mof. Vaak te laat voor de bunker… Dan bij iedere granaatinslag meteen gaan liggen en als levensteken in elkaars handen knijpen. Gave lichamen, kapotte longen…

    ‘Wilt u een kamer reserveren?’ vroeg de receptionist.

    ‘Nee, dank u. Deze keer blijven we niet zo lang,’ zei ik.

    ‘Wat doet u hier dan?’ vroeg hij.

    ‘Kent u de geschiedenis van dit hotel?’ vroeg ik.

    ‘Bent u Nederlander?’ vroeg hij.

    ‘Ja, en ik was hier bijna twee jaar verplicht “gast”.’

    ‘Hoe bedoelt u dat?’ vroeg hij.

    ‘In de oorlog moest ik hier in Bremen werken. Ik was dwangarbeider, evenals mijn vriend hier’ – ik sloeg mijn arm om François. ‘Dit hotel was het lager waar we verbleven.’

    ‘Weet ik niets van, ik werk hier nog niet zolang. Ik heb een paar jaar in Nederland gewerkt als gastarbeider. Maar Nederland is niet aardig voor buitenlanders.’

    ‘Duitsland wel?’ vroeg ik.

    ‘In Duitsland wonen in ieder geval meer buitenlanders, dus val je minder op. Maar waarom bent u teruggekomen?’ vroeg hij.

    – Ja… waarom was ik hier? Niet alleen om François te ontmoeten. Om te zien hoe goed ik het nu had, misschien? Een open wond zou het toch altijd blijven.

    ‘Het wordt tijd om die oorlog maar eens te vergeten, het is al zolang geleden. Ik heb in Nederland nooit twee minuten stilte gehouden. Waarom? Ik heb er niets mee. En waarom zou je, als je per se wilt herdenken, dat niet samen met de Duitsers doen? Dat is meer van deze tijd, van Europa. Want dat willen we toch: één Europa? Alleen niet voor mij; ik ben maar een vluchteling. Mijn vader is vermoord door de regering, waarna ik mij bij de oppositie heb aangesloten. Die was nog erger. Toen ben ik gevlucht. Mijn moeder zal ik nooit meer zien,’ zei hij.

    Ik keek hem strak aan en zei: ‘Tja… nog steeds niets geleerd.’

    Ik pakte François bij de arm en we liepen naar buiten zonder de receptionist te groeten. Ik had geen krijtje nodig om François duidelijk te maken dat dit geen prettig gesprek was. ‘Manger?’ vroeg ik. François lachte weer en we liepen naar de patisserie. We bestelden ons eten bij een vriendelijk jong meisje. Het duurde even voordat het eten door een wat oudere vrouw werd gebracht. Ze keek me diep in de ogen en tot mijn verbazing ging ze niet weg, maar pakte een stoel om bij ons aan tafel te gaan zitten. Ze had een rode roos in haar mooie haar…

‘Ik herinner me uw mooie donkere ogen,’ zei ze tegen mij. Ze keek naar François en vroeg: ‘Farge?’ Ze stond op en pakte een foto van een soldaat uit de vitrine. ‘Mijn vader,’ zei ze, en ‘Farge.’

Toen ik even later mijn portemonnee pakte om te betalen, legde ze haar hand op mijn hand en zei met een knipoog: ‘Nee, de voedselbonnen zijn allang afgeschaft’ – doorgaans bloosde ik nooit.

‘Nee, ik sta erop dat ik u betaal,’ zei ik.

‘Nee…’ zei ze zacht. ‘Maar wilt u wat voor mij doen?’

‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.

‘Denk op vier mei heel even aan mijn vader.’

‘Ja,’ zei ik maar.

    Een niet verduisterd station, een trein naar Frankrijk en een naar Nederland. Zouden we ooit weer echt thuiskomen? Au revoir François!

 


Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "François"

30.08.20
Feedback schrijfkwaliteit
Aangrijpend. En mooi geschreven.
  • Tevredenheid over de schrijfkwaliteit
    100%
Show more
1 van de 1 lezers vond deze review nuttig

Ook graag je review voor een van de oudere inzendingen...

  • Kakkerlak (337) Martin Reekers 19-04-2020

    Kakkerlak had het zwaar. Ze was tot de overtuiging gekomen dat ze een fors imagoprobleem had. Ze werd met voeten getreden. Letterlijk! Overal waar ze haar gezicht liet zien probeerde men haar dood...

    Lees meer: Kakkerlak