Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! 
Fragmenten uit gepubliceerde manuscripten of vervolgverhalen zijn niet toegestaan en verwijderen we! Bij een kort verhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.

Ga s.v.p. naar het overzicht van deze schrijfactiviteit om ook jouw verhaal/gedicht toe te voegen.

126 Hits

Publicatie op:

Op zoek naar schrijfwedstrijden?

Het nieuwe normaal
Het nieuwe normaal
Na een paar maanden begon Inanwatan als thuis te voelen. Ons houten huis aan het water was aardig op orde, de essentials zoals een kompor om op te koken, olielampjes, spijkers in de muur om de gevangen vis en kreeften op te hangen zodat de katten er niet bij konden, een plekje binnen om me in privacy te kunnen te wassen (in plaats van tussen de megakrabben op een gammel plankje boven de rivier), een kapmes, hakbijl en vier soorten vishaakjes en vislijnen, een boomstamkano naast de deur. Dat soort dingen. Ondertussen waren drie kinderen uit de buurt bij ons ingetrokken en ik leerde hen rekenen via kaartspelletjes. Ik had geleerd om kippen te villen en eetbare varens te plukken, had verschillende vistechnieken onder de knie, wist waar de krokodillen meestal zaten, had geleerd de maanstand in de gaten te houden, en nog meer van die nuttige dingen. Zoals een droog stuk termietenheuvel branden tegen de muggen, hoe ik een waterzuivering moest maken om het zilte water nog een beetje bruikbaar te maken, of hoe ik op stenen vis kon bakken. Daarnaast moest ik uiteraard ook nog onderzoek doen. Malaria had ik al achter de rug, de eerste snij en brandwonden, de eerste vreemde fistels uitgeknepen. We waren ondertussen opgenomen in het ruilcircuit, en elke dag gingen er vele bordjes het dorp rond, waarbij we zout, stookolie en tabak ruilden tegen sago of vis, of zelf vis uit zetten omdat we op een ander moment vast weer iets eetbaars van de buren nodig zouden hebben. Dit was elke dag een vast ritueel geworden. Soms stond een kind met een kip zwijgend in de deuropening, zei niets, bewoog niet, ging ook niet weg. Pas na lang aandringen kwam ik er dan achter dat hij de kip aan ons wilde slijten in ruil voor kookolie of een paar pakjes supermie. Af en toe kwam iemand een katje of baby possum brengen (die over bleef als de moeder was opgegeten) en ons assortiment aan huisdieren breidde zich gestaag uit. Later zouden daar nog een kasuaris en een pup bij komen. De kippen en de katten aten gewoon van dezelfde bak met sagopap zonder zich aan elkaar te storen. Informanten kwamen steeds vaker uit zichzelf langs om te kletsen en ik had een paar vriendinnen in het dorp gemaakt. We hadden ook geregeld aanspraak van mensen uit andere dorpen die hun reiskano’s met kleine slaaphutjes erop naast ons huis aanlegden in de modder, waardoor ik mijn netwerk voor mijn onderzoek kon uitbreiden. Kortom, het ging eigenlijk best wel goed. Dit was het nieuwe normaal geworden.
Op een dag kwam een nieuwe ziekte het dorp binnen. Achteraf gezien kwam deze waarschijnlijk mee met de reizigers uit de dorpen dieper het moeras in, die vaak naast ons hutje aanlegden. Het begon met een kind dat plotseling, naast ons huis, overleed aan muntaber, wat betekende dat je cholera had. Ik had nog norit gegeven aan de vader, maar het hielp niets om de diarree en het vele overgeven te stoppen. De hele nacht lang klonk hartverscheurend gehuil van de familie en de volgende ochtend begon de eerste klok te luiden. De eerste begrafenis trok luid rouwend door het dorp, vaak voor ons huis langs. Een haastig gegraven kuil in de modder verderop was het eindpunt. Er zouden er nog vele volgen. Zeker 2 weken lang bleven de klokken luiden, vaak meerdere keren per dag. De nachten waren gevuld met wanhopige uithalen. In Papua rouwt men hardop en hartgrondig. Kinderen en ouderen, maar soms ook een volwassene, in bijna elk huis was wel iemand ziek of overleden. Er was eigenlijk een gezondheidspost in het dorp, maar er was al lang geen verpleger meer geweest en er waren zo wie zo toch geen medicijnen aanwezig. Mijn voorraad pijnstillers raakte snel op, en konden slechts het lijden iets helpen verzachten, antibiotica en norit deden niets. Nooit zal ik die beangstigende geluiden meer vergeten, de onzichtbare dreiging van de ziekte die rondging, de ravage en ontreddering die volgde. Het geluid van het gezaag om planken te maken voor de doodskisten. Overal lagen hoopjes zaagsel in het dorp, als stille getuige van al die mensen die verdwenen waren. Muntaber was een terugkerend probleem in het dorp, om de zoveel tijd klopte deze aan de deur, en iedereen wist dat iedereen getroffen kon worden, maar je wist nooit van tevoren wie. Een lugubere loterij. Sommige mensen zeiden dat dit kwam door zwarte magie, dat heksen jaloers waren op de mooie kinderen van anderen, en via magie zwarte modder in de magen van de kinderen en hun familie stopten. Palasik werd de ziekte ook genoemd, het boze oog. Het zag er een beetje uit als dunne, donkere modder. Niets herkenbaars meer aan.
Na ongeveer een week werd ook ik ziek. In zekere zin was dit ook mijn redding, want omdat ik zo dicht bij de haard woonde en bovendien ook nog eens zinloze medicijnen had uitgedeeld was ook ik verdacht. Zelf nog kinderloos, niet van daar, vaak pratend met de medicijnvrouwen uit de buurt. Alle geijkte signalen van een heks kon je zo afvinken. Onze aangenomen kinderen bleven weg, mensen keken me niet rechtstreeks aan als ik wat vroeg, informanten bleken naar de jungle. Ik wist dat ik verdacht werd, ik wist wat er met heksen kon gebeuren. Die konden zomaar opeens dood in de modder liggen. Maar omdat ik zelf ook ziek werd, kon ik uiteindelijk toch niet degene zijn die iedereen ziek maakte. Mijn medicijnvriendinnen, aangewezen omdat zij de sterksten zouden zijn om mijn hekserij te weerstaan, kwamen langs om te kijken. Ja, ik was ziek. Aan alle kanten liep ik leeg en voelde mijn reserves in rap tempo uit me vloeien. Het was een constante gang naar mijn provisorische badkamertje, waarbij ik met mijn knieën op de houten planken er alles keer op keer uit gooide, het gat door, recht de rivier in. Hondsberoerd. Ik wilde zelfs geen koffie meer. Maar net toen ik een beetje begon te stabiliseren en weer voorzichtig een paar stappen naar buiten zette om naar een begrafenis te gaan, kwam daar bonkende hoofdpijn, uitslag en jeuk en flauwvallen bij. De wereld was scheef geworden, het leek alsof ik op een steile dijk liep, en het gras was rood gekleurd. Het bleek achteraf dat ik ook dengue had, knokelkoorts. Dat kon er ook nog wel bij. Ik zat onder de rode bultjes en kon maar nauwelijks bij bewustzijn blijven. Mijn medicijnvriendinnen noemden dit ‘de ziekte waar je in trapt’. Het was een ziekte die door heksen op de weg was gestrooid om willekeurige voorbijgangers te treffen. De enige remedie was volgens hen om de ziekte weer door te geven. Ze verzamelden 7 soorten planten die ik moest koken binnen in een hut van matten, om zo de ziekte er uit te zweten. De stoom van de bladeren maakte mijn koortsige lijf nog warmer, maar ik had geen andere hoop dan proberen te vertrouwen op de ervaring van deze oude vrouwen. Ook al was de oorzaak dan niet zoals zij die zagen, het middel zou hopelijk toch kunnen helpen. Ik moest me insmeren met de plantendrap en daarna het hete water over me heen gooien. De ziekte zou dan in de plantenresten achterblijven. Deze drab moest ik vervolgens zelf op het pad naast mijn huis gooien, zodat iemand anders de ziekte zou overnemen. Die nacht voelde het alsof het er op of er onder zou worden, of ik de ochtend zou halen of niet. Ik ijlde. De hele nacht klonk nog steeds het hartverscheurende rouwen van de mensen om me heen, want de muntaber ging nog steeds rond. Ik zweefde uit mijn lichaam ergens in het hutje rond, soms er boven, aan de rand van de rivier, waar ik de reiskano’s zag liggen met de kringeltjes rook door het dak, de donkere schimmen van de ouders met hun zieke kinderen in hun armen. Ik hoorde het gehuil van een paar kinderen, en het zachte gezang van hun moeders om hen weer in slaap te krijgen. Ik vloog boven de rivier, zag de begraafplaats verderop en koos een plekje uit waar ik zou komen te liggen, morgen. Ik dacht aan mijn ouders en dat het onmogelijk voor hen zou zijn om mij daar terug te vinden, in een van de vele naamloze graven in de zwarte modder. Ik voelde de lijn met mijn lijf steeds zwakker worden en wist dat het kantje boord was. Bijna verdwenen.
Die ochtend klonken de klokken weer, de volgende stoet stond klaar om weer een dode weg te brengen. Dat was voor mij, dacht ik. Dus toch. Ik volgde de stoet vanuit de lucht, richting het kerkhof, maar opeens wist ik dat ik het niet was die daar gedragen werd. Ik moest terug, naar mijn eigen huis en mijn eigen lijf. Ik kwam bij en leefde nog. Later die dag stond ik eindelijk op en gooide de plantenresten buiten op het pad, me schamend dat ik iemand anders wellicht ziek zou maken, of dood, maar mijn overlevingsdrang was sterker. Ik kon op niets anders meer vertrouwen dan op de ervaring van de menen in het dorp, niet op mijn verzwakte lijf. Mijn medicijnvriendinnen kwamen weer langs en vertelden me opgelucht dat ik ook geen geest bleek te zijn uit de onderwereld. Ik had de palosik die tientallen doden had gekost in het kleine dorp niet veroorzaakt, en bleek ook gewoon iemand van vlees en bloed, geen geest. Al die maanden hadden ze zich in stilte afgevraagd wie ik was, of ik uit de geestenwereld was gekomen, of dat ik een voorouder was die hen kwam testen.
Nu, in tijden van Corona, is de onzichtbare dreiging van ziekte vele malen minder heftig, voor mij althans, veilig in mijn stenen huis in de stad in Nederland, ziekenhuis om de hoek. Maar telkens als ik mijn handen was voel ik de slijmerige modder kleven waar ik in zou worden gestopt, krijg ik mijn handen niet meer droog, hoor ik de wanhoop en klokken in mijn oren suizen, voel ik de dreiging van beschuldiging en het schuldgevoel van iemand die het wel overleefde.

Als een auteur geen behoefte heeft aan feedback verschijnt er geen review mogelijkheid.

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "Het nieuwe normaal"

© Dianne van Oosterhout
19.05.21
Feedback:
Eigenlijk een heel mooi verhaal, maar moeilijk leesbaar door de lange lap tekst zonder één enkele witregel. Jammer ook dat het vooral in het begin blijft bij een reeks van opsommingen zonder enige emotie.
  • Schrijfkwaliteit
    3.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
16.05.21
Feedback:
Heel boeiend verhaal, ook antropologisch interessant. Hier en daar wel wat taalfoutjes.
  • Schrijfkwaliteit
    5.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

In elke boekenwinkel