Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! 
Fragmenten uit gepubliceerde manuscripten of vervolgverhalen zijn niet toegestaan en verwijderen we! Bij een kort verhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.

Ga s.v.p. naar het overzicht van deze schrijfactiviteit om ook jouw verhaal/gedicht toe te voegen.

96 Hits

Publicatie op:

Op zoek naar schrijfwedstrijden?

Hoe Ver Het Was En Hoe Koud

Het jaar was 1987. Ik was, wat ik nu, ‘nog maar jong’ zou noemen. Na een week kamperen op Schiermonnikoog, samen met mijn broer, zat de vakantie erop. We hadden mazzel gehad, het was droog en warm zomerweer geweest. Ter plekke besloot ik om wat langer te blijven om van het weer te profiteren. Maar voor mijn broer zat de vakantie erop. Omdat hij niet over eigen vervoer beschikte werd een simpel plan opgesteld om hem (uiteindelijk) op zijn plaats van bestemming te krijgen:

Schema Van Een Simpel Plan:

– Op onze twee huurfietsen naar de veerdam vanwaar de veerboot vertrekt.

- Met de veerboot naar Lauwersoog.

- Verder met mijn auto naar het adres van familie in Groningen. (broer blijft hier overnachten, om volgende dag verder te reizen met trein)

- Lunchen en theedrinken bij de familie.

- In mijn eentje terug met de auto naar Lauwersoog. (opgelet! ‘t is zondag, dus de laatste boot vertrekt al om half zes!)

- Oversteken naar Schiermonnikoog.

- Met twee fietsen naar het dorp peddelen. Lastig, maar doenlijk.

- Een van de 2 fietsen inleveren bij het fietsverhuurbedrijf.

- Met één fiets verder peddelen naar de camping.

– Nog enkele dagen genieten op het strand. Met boek.

Simpel, recht toe, recht an. Zolang je maar de juiste volgorde aanhield kon er niets fout gaan. Hieronder volgt het (licht gedramatiseerde) relaas van wat er WEL fout ging.

Ergens tussen het vijfde en zesde onderdeel op het schema ontspoorde de zaak.

Gezelligheid kent geen tijd. Ik vertrok daardoor wat later richting Lauwersoog dan verstandig was en werd meteen hiervoor afgestraft; het was drukker op de weg dan verwacht (tja, was natuurlijk voorspelbaar met dat mooie weer op een zondag), ik moest tanken (iets waar het schema niet in had voorzien) en had moeite bij Lauwersoog een parkeerplekje te vinden (gewoon pech bij het afschuimen van het parkeerterrein) zodat ik, alles bij elkaar, net op tijd was om de veerboot onbekommerd de Waddenzee op te zien varen. Zonder mij.

De boot gemist. Shit.

Nu kwam ook genadeloos de zwakte van het hele schema aan het licht. Er was geen Plan B.

Daar stond ik dan. Op een lege kade, krijsende meeuwen boven mijn hoofd en een veerboot die uit het zicht verdween. Maar ik was niet helemaal alleen. Er kwam een stelletje naast mij staan. Zij hadden een uitdrukking op hun gezicht die waarschijnlijke erg op de mijne leek.

“Gaat er straks nog een boot?” vroegen ze.

“Nee,” zei ik, “Dit was de laatste boot vandaag.”

“Shit,” zei het meisje.

Precies.

Wat nu te doen? Ik zou terug kunnen rijden naar mijn familie, om daar (heel schaapachtig) een nachtje op de bank door te brengen. Geen aanlokkelijke optie. Helemaal naar huis rijden zou ook nog kunnen, maar had ik mijn huissleutel op zak? Niet, dus.

Ondertussen stond  het stelletje ook de opties op hun vingers na te lopen. Ik meende het woord ‘liften’ op te vangen, tussen het gekrijs van de meeuwen door, maar bij ‘liften’ denk je aan auto’s.

Fout.

Het stel wendde zich weer tot mij. “We hebben een idee, Doe je mee?”

“Wat voor idee?”

“We gaan proberen een lift naar Schiermonnikoog te krijgen.”

“Een lift?” vroeg ik onnozel. “Hoe bedoel je?”

“Hierachter ligt de sluis voor de pleziervaart. We willen kijken of er ook boten zijn die vanavond nog naar Schiermonnikoog varen. We vragen gewoon of we mee mogen.”

We vragen gewoon of we...

Hoe ‘gewoon’ was dat? Ikzelf zou nooit op het idee gekomen zijn of, in m’n eentje, de stoutmoedigheid opgebracht hebben. Aan de andere kant, auto of boot, is er werkelijk verschil als je het over ‘liften’ hebt? Toch zie je verdraaid weinig mensen met het bekende liftgebaar op rivierdijken staan.

Met z’n drieën liepen we vanaf de haven naar de brug om vandaar een blik in de sluis te kunnen werpen. We hadden mazzel, in zoverre dat er een stuk of 5 boten lagen te schutten, met de boeg in de juiste richting.

We daalden de trappen af naar de eigenlijke sluiskade en gingen de bootjes langs.

“Nee hoor, daar begin ik niet aan!”

“Nee, sorry, ik ga een andere kant op.”

“Liften? Loop heen, zeg!”

We kwamen bij de laatste in het rijtje. Een zeilboot van ongeveer vijf meter, compleet met kajuit. Ik had wat twijfels of de boot ‘Wadden-zeewaardig’ was, maar op een rustige zomerdag moest toch geen probleem zijn… in tijden van nood. Het geval werd bemand door een jongeman die geld rook en bereid was ons voor tien gulden per persoon als ballast mee te laten varen.

Tien gulden? Wie vroeg er nou geld van een lifter? En waarvoor? Slijtage aan de zeilen? Belasting voor pratende ballast? Maar, zo werd beargumenteerd, de veerboot kost ook zoiets en is een zeiltochtje op de Waddenzee niet een tientje waard?

Tja, dacht ik nog in mijn onschuld, misschien ook wel. En als het de laatste mogelijkheid is...

We stapten aan boord. Het stel met een paar tassen en ik met één autosleuteltje, twee fietssleuteltjes en een portemonnee waarvan de inhoud nu in de zak van Bootsman was verdwenen.

De sluisdeuren gingen open en langzaam tuften we op de hulpmotor de haven door en de Waddenzee op. Op het land had een licht, zwoel briesje gestaan, maar eenmaal op het open water werd de wind krachtiger. En koeler. Mijn T-shirt bood weinig weerstand tegen de watergekoelde wind. Maar goed, met een uurtje of zo zouden we wel aan de overkant zijn en zolang hield ik dat wel uit.

“Nou,” zei Bootsman, “Het is bijna laagwater en de kiel van mijn zeilboot steekt redelijk diep. We komen de jachthaven van Schiermonnikoog alleen in tijdens de paar uur rond hoogwater.”

“En hoe laat is dat ongeveer?” vroegen we gealarmeerd.

“Hoogwater, bedoel je? Nou, over een uur of zes. Na middernacht.”

De wind trok aan en ik liet mij wat dieper in de beschutting van de kuip wegzakken.

“Nee, nee!” riep Bootsman. “Je moet aan loefzijde op het boord gaan zitten. Dat zeilt beter.”

We gingen als een speer over het water, ik verbeet de bibbers en genoot eigenlijk wel van het zeilen. Bootsman had kort tevoren een heuse dieptemeter aangeschaft (en kon daarom kennelijk wel wat geld gebruiken) en demonstreerde met trots zijn nieuwste speeltje. Matig geïnteresseerd volgden wij het rijzen en dalen van de zeebodem.

Afgezien van de wind was het mooi weer. Het zicht was helder en de wadden blonken in het zonlicht. In de verte stak Schiermonnikoog als een fata morgana boven het geschitter uit.

Al spoedig kwamen wij aan bij Engelsmanplaat, zo’n beetje tussen Ameland en Schiermonnikoog in, waar we voor anker gingen om op hoogwater te wachten. Dankbaar dook ik de relatieve beschutting van de kajuit in. De kajuit bleek een kookstel rijk te zijn en verder was er ook nog een blik soep, zodat we gelukkig iets warms binnen kregen.

Ook was er nog een rolletje pepermunt aan boord. Naar verluid was het op Nova Zembla erger geweest, dus niemand beklaagde zich.

Intussen begon het echt fris te worden, hetgeen meestal direct gevolgen heeft voor de omvang van mijn blaas. Een toilet was er niet aan boord, behalve een voorziening welke uitsluitend bedoeld voor was het niet blaas-gerelateerde werk. Noodgedwongen loosde ik mijn water ongezuiverd de Waddenzee in.

Om een uur of negen besloten we koers te zetten naar het jachthaventje van Schier. Het anker werd geheven en hoopvol koersten we oostwaarts, richting de haven en warmte. We kruisten het Westgat, bonkend op onrustige golven asynchroon met mijn klapperende tanden, en zo verder langs de Waddendijk van het eiland, tot wij, bij het invallen van het duister, in het zicht van de haven kwamen. Min of meer.

De zee, zelfs de Waddenzee, is ongelukkigerwijs onverlicht. Dit is problematisch. Misschien dat het een keer aangekaart kan worden in de Tweede Kamer.

Officiële vaargeulen worden aangegeven door boeien met een groen of met een rood licht, net zoals vaartuigen. De houten staken die de kronkelige vaargeul naar de jachthaven van Schiermonnikoog aangeven zijn niet met lichtjes uitgerust, zelfs niet met fakkels, toortsen of andersoortig vuur.

“Er moeten hier ergens staken staan die de vaargeul aangeven,” beweerde Bootsman.

Vanwaar we lagen te dobberen was het haventje duidelijk te zien, knus onder aan de dijk, met diverse afgemeerde boten waarop inmiddels de lichten ontstoken waren en met masttoppen die telkens even oplichtten wanneer het licht van de vuurtoren over de dijk zwiepte. Tussen ons en het haventje klotste tweehonderd meter donker en leeg water. Leeg, op onzichtbare staken na. Ergens voor ons kronkelde een onzichtbare vaargeul, zich verheugend in een sessie verstoppertje-spelen.

Er zat niets anders op dan maar ‘op de tast’ proberen die geul te vinden. Dat kwam er op neer dat we voorzichtig richting de dijk tuften met behulp van de hulpmotor, totdat de kiel vastliep in het slib van de bodem. Daarnalos wrikken en een stukje verderop opnieuw proberen.

De klok tikte door. Middernacht kwam en middernacht ging.

De vermaledijde vaargeul was niet te vinden. De dieptemeter gaf behulpzaam negatieve dieptes aan en de temperatuur was, naar mijn gevoel tenminste,inmiddels ook naar de negatieve kant van de schaal afgedaald. Uiteraard moest ik (als enige, kennelijk) weer hoognodig ongezuiverd water lozen. Diep bedroefd hielp ik de Waddenzee verder naar de ondergang.

Terwijl ik daar stond, op het boord met mijn schouders geleund tegen de stagen van de mast om mijn handen vrij te hebben voor het richtwerk, staarde ik voor mij uit over het water en meende ineens in het licht van de vuurtoren iets te zien glimmen.

“Daar! Ik zie een staak,” riep ik opgewonden, het richtwerk even verwaarlozend.

“Eentje maar?” vroeg Bootsman. “Moeten we daar nu rechts of links voorbij?”

We kozen de verkeerde kant. Maar waarschijnlijk maakte het allemaal niets uit, we staken gewoon te diep en mogelijk hadden we een cruciale kronkel in de geul gemist. In wanhoop werd met behulp van veel geschommel, ballastverplaatsing en een pikhaak nog moeizaam enkele meters gewonnen. Totdat wij, moegestreden en met de haven in zicht, moesten vaststellen dat we echt muurvast zaten. Hoogwater had ons tijden geleden al in ontreddering achtergelaten.

“Hoe laat is het nu,” vroeg iemand troosteloos.

“Twee uur, ongeveer. Is dat te laat om alsnog om hulp te roepen?”

“We zijn er bijna. Is het misschien een idee om overboord te springen en het laatste eindje gewoon te zwemmen?”

Ik keek eens naar het water dat donker en kil om het bootje klotste. Ik was nu al uren achtereen in een oncontroleerbare bibbertoestand, maar het water zou misschien juist warm aanvoelen. Ja, totdat je daarna met je natte kleren over de dijk naar de veerdam moet sjokken om de fietsen op te halen (terug op Schema!) En dan, koud én nat, fietsen naar de camping.

Idee afgekeurd. En dus werd besloten om in te zetten op Hulpgeroep. Hoe vernederend kan een zomerse dag eindigen.

Gelukkig bleken er nog mensen wakker op een van de geparkeerde boten, die ook nog eens, na wat heen en weer geroep, bereid waren ons met een roeibootje naar de steiger te brengen. Geheel gratis!

Nadat de eerste persoon was overgestapt naar de roeiboot kwam plotseling de kiel vrij en dreef de zeilboot verder moeiteloos naar de steiger.

We hadden er ruim acht uur over gedaan en het kostte een tientje, maar we waren dan toch op Schiermonnikoog. Het stelletje vertrok lopend naar het dorp, in de hoop dat de deur van het hotel niet potdicht zat, en ik sjokte in de duisternis over de dijk naar de veerdam, op jacht naar mijn twee fietsen. En Bootsman deed, naar ik aanneem, bootmanse dingen.

Het was drie uur in de nacht voor ik eindelijk rillend kon afzakken naar het diepste end van mijn slaapzak.

Het laatste puntje op het Schema onderging een last-minute wijziging. Ik ging wel lezen (“Schipbreuk in de Poolzee” van Hammond Innis) maar veilig in mijn slaapzak en met twee truien aan.


Als een auteur geen behoefte heeft aan feedback verschijnt er geen review mogelijkheid.

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "Hoe Ver Het Was En Hoe Koud"

© Anton van Esch
04.06.21
Feedback:
Een heel mooi verhaal. Goede taalbeheersing.
  • Schrijfkwaliteit
    5.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
04.06.21
Feedback:
Heel verrassend en leuk geschreven. Je kiest wel voor heel veel witregels in het verhaal. Mag denk ik wel iets minder.
  • Schrijfkwaliteit
    4.0/5
Show more
1 van de 1 lezers vond deze review nuttig
  • Anton van Esch 05.06.21
    Dank je voor de feedback! De witregels, met name de ruime marge tussen alinea's, komen hier anders over dan op papier. Dat is inderdaad iets om rekening mee te houden. Maar dat gezegd hebbende, mijn schrijfstijl zou ik er toch niet (teveel) door willen laten beinvloeden.
04.06.21
Feedback:
Mooi!
  • Schrijfkwaliteit
    4.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
04.06.21
Feedback:
Leuk verhaal, goed geschreven.
  • Schrijfkwaliteit
    4.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

In elke boekenwinkel