Klik hieronder op een van de mogelijkheden.

Jezus

Met een klap belandde ik op de vloer van het kleine vliegtuigje. De hangmat waar ik in zat was uit een van de haken ontsnapt. Het vliegtuigje was van alle ballast gestript om uit de hoge bergen in het achterland van Jayapura op te kunnen stijgen. De twee passagiersstoelen waren er dus uit gesloopt, de hangstoel zat als een soort schommel die meebewoog met het vliegtuig. Het meer van Sentani met zijn vele tentakels kwam op hoge snelheid dichterbij. Zo van een afstandje bezien leek het op een plaatje van een blauwgroen virus. Lina en ik grepen elkaars hand en keken elkaar bang aan. Dit was het dan. Sorry, sorry, sorry riep ze, alsof zij hoogstpersoonlijk verantwoordelijk was voor wat komen ging. Tuhan Jezus bescherm ons! Mijn voeten steunden tegen de achterkant van de stoel van onze piloot, ik keek door het raampje vrijwel recht het water in. De punt bijna loodrecht naar beneden. Mijn oren popten, ik kon mijn gedachten horen. De piloot draaide zich om. Een Indonesische man van ongeveer onze leeftijd. Waarschijnlijk uit Noord Sulawesi aan zijn gezicht te zien. Sorry, zei ook hij. Zie je aan de andere kant. Tidak apa apa, zei ik uit automatisme, het geeft niet. Ons kleine vliegtuig was onbestuurbaar geworden na een botsing met een grote wolk en hard bezig neer te storten. De seconden bewogen in slow motion, we konden elkaars gedachten zonder woorden lezen, we voelden ons gewichtloos zweven door het vliegtuigje heen, ons lot verbonden aan elkaar. Alle details waren glashelder. De rimpelingen van het water op het meer, de plukjes bomen op de hellingen en de eilandjes in het water, het verschoten oranje doek van wat ooit mijn hangstoel was, de lichtblauwe kraag van de blouse van de piloot, het dashboard, de druppeltjes condens op het raam, het pakje sigaretten op de grond, de stukjes gras en modder die we uit de bergen hadden meegenomen, de kale binnenkant van het vliegtuig, kabels, blik, de koude lucht. We bleven vallen, de wereld gereduceerd tot deze vierkante meter, deze twee mensen. Mijn slippers waren verdwenen, ik keek naar mijn vieze voeten. Mijn laarzen had ik boven achter gelaten, te zwaar om mee te mogen. Weer keken we elkaar aan, hooguit seconden nu nog. Berusting. Dit was het dan. Met deze snelheid zou het water als een betonnen vloer aanvoelen. Niets zou er van ons overblijven. Dag, zei ik tegen Fitra, pas goed op onze kinderen.

Als door een wonder kreeg de piloot weer controle over de stuurknuppel. Hevig zwetend zette hij het toestel weer aan de grond. De vrije val had al met al hooguit een minuut geduurd, maar ik was uitgeput. Met slappe benen klommen we naar buiten, onwerkelijk. Hij keek ons aan. Hoe het kon dat we toch nog konden landen, hij wist het niet. Jezus had medelijden gehad. In al die jaren dat hij hier in de bergen vloog had hij nog nooit zo iets meegemaakt, was hij nog nooit zo bang geweest. Ik ook niet trouwens, niet in een vliegtuig althans. We haalden onze kleine tassen uit het ruim en slingerden naar de hangar. Het hete asfalt brandde door mijn slippers heen. Gedrieën legden we de laatste meters af, nog even verbonden door ons lot. Het was onze dag nog niet, zei Lina. Ontsnapt, alweer. Maar daar boven in de lucht was een stukje in mij onherroepelijk veranderd.

Die week waren mijn team en ik in het bergachtige gedeelte van Keerom geweest voor onderzoek. De langdingsstrip lag in een kom in de bergen. Van daaruit splitsten we op in twee groepjes van twee. Lina was samen met Erwin in Ubrub gebleven, zelf liep ik met Fatma nog een halve dag door, hoger de bergen in naar Towe. Vanuit Ubrub was er ooit een weg aangelegd waarlangs voertuigen zouden kunnen rijden, maar de bruggen waren lang geleden door de OPM onklaar gemaakt, en de weg was ondertussen onder het oerwoud verdwenen. Onderweg zagen we een paar afgetakelde en overwoekerde machines staan die ooit de weg hadden helpen maken. Een bizar gezicht, alsof de wereld onlangs vergaan was. Het pad hield na een uurtje lopen op bij een afgrond, waarover een dikke, glibberige boomstam was gelegd. De militairen die in Ubrub gelegerd waren kwamen dus maar zelden het dorp uit, wat ook precies de bedoeling was geweest. Zelf moest ik er helaas wel overheen om Towe te kunnen bereiken. Ogen dicht en vertrouwen op degene wiens hand ik vast hield. Even later nog een. Daarna nog een paar snelstromende riviertjes door, over boomstammetjes die half in het water waren verdwenen. Het water trok hard aan mijn laarzen. Uit ervaring wist ik dat je met schoenen niet veel kon in Papua, en dat slippers vooral in de modder bleven hangen. Blote voeten was makkelijker, of rubber laarzen. Deze waren een concessie vanwege de slangen aan Fitra, die voor dit deel van de reis niet meer mee kon. Te gevaarlijk voor de kinderen en niet genoeg plaats in het vliegtuig. Eindelijk zagen we Towe liggen, een paar bamboe hutten op een eilandje omringd met een lus bruisend water. Het dorp lag strategisch wat hoger dan de kom die door het water tussen de bergen was uitgesleten. Een stoet kinderen kwam aanrennen, Buleh! Buleh! Gierend van de lach keken ze toe hoe we overstaken. We werden naar de kerk gebracht, een wat grotere bamboe hut zonder wanden en zonder meubels. Al snel kwamen zoals gewoonlijk de zieken tevoorschijn. We waren geen artsen, we deden enkel onderzoek naar kennis en gewoontes over TB, malaria, HIV, bevallingen en kinderziektes, de grootste doodsoorzaken in Papua. Telkens weer voelde ik me tamelijk machteloos, de teleurstelling stond op hun gezicht af te lezen. Een man bracht een baby van een maand oud naar me toe. Het meisje was broodmager en had een hazenlip. Ze kon daarom niet goed drinken en zat bovendien onder de schurft. Nergens was een kiosk te bekennen waar misschien wat babyvoeding gekocht kon worden, zodat de melk met een lepeltje naar binnen kon worden gegoten. Ook niet in Ubrub. Hij zou naar Abepura moeten lopen, bergaf in hoog tempo nog altijd een week. Dan ruim een week terug naar boven. Kansloos. Nooit kwam er een verpleger naar het dorp, in Ubrub hadden alleen de militairen medicijnen, daar wilde niemand dus heen.

We mochten logeren in een van de hutten. Een gammel trapje op naar boven, bladerdak, een kuil van klei was in de vloer gemaakt als vuurplaats. Daarin konden we een vuurtje stoken en ons eten koken. We hadden zelf gedroogde vis, mie en rijst mee, wat knoflook, zout, chili, koffie. Net genoeg, hoopten we. We hadden niet veel bagage mee mogen nemen. De toilet was in de rivier, net als de douche en de wasbak. Met een sarong om en een bakje zeep mee wasten we ons elke dag in het steenkoude water, voor iedereen duidelijk zichtbaar. Privacy was hier een onbekende luxe. De vrouwen wasten aan de linkerkant van het eilandje, de mannen aan de andere kant. De nachten waren koud. Ik lag met mijn laarzen en trui aan onder mijn sarong op de bamboe latten te luisteren naar de nacht. Het water kolkte onvermoeid door, af en toe een stem, het schijnsel van een vuurtje in de hut naast ons. Rook dat tussen het bladerdak door omhoog kringelde. De geur van natte bladeren en houtvuur. Voor geen goud ging ik 's nachts naar de rivier, het was koud, vochtig en donker. En de sfeer was niet goed, niet veilig. Maar het moest toch. De families in het dorp deden erg aardig, maar er hing een sluier van dood over het dorp heen. Of het kwam door de baby met de hazenlip, of door de vage geur van ontbinding die soms overwaaide, ik wist het niet precies. Maar ik was op mijn hoede.

De andere kant van het eiland liep wat omhoog. Van daaruit kon je oversteken naar de tuinen van de families die hier woonden. Grote boomstammen functioneerden als hek, om de varkens en herten uit het veld te houden. De vrouwen verbouwden hier cassave, yams, wat groente. Het was vechten tegen de bierkaai, het kostte enorm veel energie om een stukje land te openen en als je even niet keek was alles weer begroeid met kruipsel. In een van de tuinen kwam een vrouw naar me toe. Ze moet nog jong geweest zijn, ze had een baby onder de arm, maar haar ogen waren dof, versleten. Ze zat onder de schurft. Haar armen, haar benen, zelfs haar oogleden. Ze had een oude smerige rok aan tot net onder haar knieën. Ooit moet deze licht blauw zijn geweest, een paar jaar geleden. Een paar honden liepen om ons heen door de resten van een kookplaats te scharrelen, op zoek naar iets eetbaars. Een stukje verbrande cassave. De bloemen die haar huid zouden kunnen genezen bloeiden om ons heen, felle oranje bloemetjes gevormd in een kleine piramide. Ze wist waar ze voor dienden, maar ze durfde niet. Haar man wilde niet dat ze haar eigen huid terug zou krijgen, bang als hij was dat er dan een andere man geïnteresseerd zou zijn in haar. Ze krabde nog maar een keer over haar arm. Ik blies mijn adem uit.

De mannen waren vooral vaak afwezig, ze gingen op jacht, soms vissen, soms gewoon weg, hadden niet altijd zin om hun vrouwen te helpen de bomen om te kappen. De meeste vrouwen trokken zo wie zo al aan het kortste eind, zwangerschappen en bevallingen eisten hun tol, HIV kwam het dorp binnen via hun mannen die naar beneden waren geweest, huiselijk geweld als hun mannen weer eens hadden gedronken was de norm, en ze waren ook vaker doelwit van hekserijbeschuldigingen. Het huis waarin we logeerden stond niet voor niets leeg, bleek later. De familie die er had gewoond was onlangs nog uitgemoord. Alleen een zuigeling had het overleefd. Ze hadden hem aangetroffen op schoot van zijn moeder, van wie haar borsten en haar hoofd waren afgehakt. Ze zat nog met gekruiste benen, als een beschadigd standbeeld van een Budhha. Het jongetje zat onder het bloed. Hij woonde nu bij zijn oom. De grot waarin het gebeurd was lag bezaaid met stukken mens. Haar man en drie grotere kinderen, allemaal waren ze dood. De koppen waren opgehangen. Ik hoorde wel vaker gruwelijke verhalen, maar dit verhaal bracht me wel van mijn stuk. Het onbehagen dat ik al een paar dagen had gevoeld, opeens klopte het. Schijnbaar onbewogen luisterde ik naar de vrouw die het vertelde. Natuurlijk had ze het gezin goed gekend, was waarschijnlijk ook familie van haar geweest, zoals iedereen in het kleine dorp. Er woonde nog geen 150 man. Hekserij, zei ze.

De dag voor ons vertrek ging ik zoals beloofd langs bij de man die op zondag in het provisorische kerkje de dienst verzorgde. Hij woonde aan de overkant van de rivier, buiten de dorpskern, via de vrouwenwasplaats naar boven. Hoffelijk liet hij me binnen, wees trots op de 2 verkleurde prenten die aan de wanden van geplet bamboe hingen. Een van Jezus en een van Maria met het kindje Jezus. Kopje heet water, een stukje geroosterde cassave. We praatten uren lang. Aanvankelijk vooral over zijn religieuze rol in de gemeenschap. Jaren geleden was er een Nederlandse pater geweest in het dorp, maar die was in de jaren 80 door Suharto naar huis gestuurd. Sindsdien was er niemand voor in de plaats gekomen, de Indonesiërs wilden het Christendom uitroeien. Hij kende de bijbel van binnen en van buiten zei hij, en somde ter bewijs een aantal verzen op. Het geloof was belangrijk, het gaf mensen een doel en het harde leven betekenis. Ooit had hij Jezus gezien, hier in het dorp. Hij was naar hem toegelopen toen hij op het eiland was, en had hem opgedragen om het geloof te gaan verspreiden. Hij had dus gedaan wat Jezus van hem vroeg. De man was welbespraakt, had duidelijk wat meer doorgeleerd en was geïnteresseerd in de wereld. Hoe moest dat zijn, dacht ik nog even, om dan in zo'n gat vast te zitten, waar helemaal niets was behalve ziekte en geweld. Mijn respect voor zijn vasthoudendheid om het woord van God in die omgeving te blijven verspreiden om het leven ietsje beter te maken groeide.

Hij was vaak op bezoek bij familie in PNG, over de grens, vertelde hij vervolgens. Soms moest hij namelijk een poos onder duiken, of een aanval voorbereiden. Hij was van de OPM, het Papua bevrijdingsfront. Daar had ik al vaker mee te maken gehad. Ik dacht terug aan die keer dat een groep OPM-ers me had willen ontvoeren, jaren geleden, aan de andere kant van Papua. Aan de roadblocks op de weg tussen het vliegveld en Jayapura, waarbij geregeld mensen vermoord werden. Aan vorige week nog, toen we stante pede uit een ander onderzoeksdorp moesten vertrekken omdat er een groep OPMers door het gebied trok, op weg naar Abepura. Met de kinderen onder onze armen waren we op een motor gesprongen en naar de stad gereden, waar we een paar dagen moesten afwachten of er iets zou gebeuren. Het bleef toen gelukkig rustig, maar we zaten wel met een paar kleine kinderen opgesloten, hopende dat de mensen die om ons heen woonden ons niet zouden verraden. Na die ervaring van een paar jaar terug wist ik maar al te goed dat je als blanke een aantrekkelijk doelwit was. Ik voelde me niet langer op mijn gemak, maar moest natuurlijk rustig blijven zitten. Net doen alsof er niets aan de hand was. Maar uiteraard was ik ook bloednieuwsgierig, hoe dat leven in de schaduw eigenlijk was. Hoe het was om telkens onder te duiken over de grens, letterlijk voor je idealen vechten. Dus ik bleef doorvragen. Verknipt, een priester en strijder in een. Bezorgdheid had zich gemengd met mijn verbazing en bewondering. Hij had een aantal soldaten te pakken gehad, vertelde hij, met een mes. Want de bezetters hielden de ontwikkeling van zijn volk tegen. Hier is geen arts, geen medicijn, geen school, helemaal niets. Alleen armoede. Daar had hij zeker een punt. Ziektes als Aids zijn expres naar ons gebracht om de lokale bevolking uit te moorden, zodat de Indonesiërs alle rijkdommen hier uit de grond kunnen halen. Dat hoorde ik wel vaker. Aids als bio-wapen. Voor hem waren de OPM en de kerk verschillende wapens in de strijd tegen dezelfde bezetter. Schyzofreen, gevaarlijk, een idealist, een sociale man. Toen hij ook na een paar uur praten er niet op uit leek te zijn mij te ontvoeren, stond ik rustig op om weer terug naar het dorp te gaan. Oh ja, zei hij nog. Halverwege bleef ik verschrikt staan. Nu komt het, alsnog. Mijn hart sloeg direct op hol. Dan heb je natuurlijk ook nog suangi, hekserij. Daar moest je ook korte metten mee maken. Laatst had hij nog uit puur plichtsbesef als priester zijn eigen zus moeten doden. Haar man was een heks, hij had modder in de buik van een paar kinderen gestopt. Maar hekserij is besmettelijk, ze hadden allemaal met die man uit dezelfde schaal gegeten, daar had hij zijn suangi in gedaan. Dat moet je dus tot de wortel uitroeien. Vandaar dat ook zijn vrouw en kinderen opgeruimd moesten worden. Terwijl hij toch veel om zijn zus gaf. Juist daarom had hij gedaan wat hij had gedaan, uit liefde voor haar, zodat zij niet ook schuld zou hebben aan nog meer doden in het dorp. Alleen de baby had hij gespaard. De baby had nog nooit vast voedsel gegeten, zat nog aan de borst, en kon dus nog niet besmet zijn. Verbluft en in shock liep ik terug naar mijn eigen hut. Die overigens goed zichtbaar was vanuit de deuropening van de priester. Geen fijn gevoel. Ik voelde me bespied. Priester, vrijheidsstrijder, moordenaar, heksenvervolger.

Die nacht kon ik uiteraard geen oog dicht doen, lag te luisteren naar een teken dat hij ons huis binnen kwam, durfde nu al helemaal niet meer 's nachts niet naar de rivier, hij zou me zo kunnen zien in het zwakke maanlicht, misschien zijn kans afwachten om me te laten verdwijnen. Weer terug door de rivieren, over de boomstammen, terug naar Ubrud. Af en toe keek ik achterom of we gevolgd werden. Ubrud leek opeens het toppunt van civilisatie, er was een generator bij de militairen, ze hadden een zwart-wit tv met een blauw scherm er voor. Er was een kiosk waar we mie en sigaretten konden kopen, weer genoeg te eten. In Towe hadden we onszelf op rantsoen moeten zetten. En we waren herenigd met de andere helft van ons team, die bij een gezin in een huis logeerden. Veilig. De volgende dag zou het vliegtuig komen. Als het vroeg genoeg kwam zou er misschien zelfs een tweede vlucht kunnen komen. We besloten dat Lina en ik als eersten zouden vertrekken, de anderen vonden het niet erg nog even te wachten. Lina was niet echt dol op de militairen die vlak bij ons waren, nog een nacht in hun buurt zou te veel stres opleveren. Oude trauma's speelden op, ze had al zoveel studenten gedood zien worden. En ik wilde plots terug naar huis, voelde me kwetsbaar. Was bezorgd dat de priester alsnog opdook. Met een troep vrienden. Enigszins beschaamd stapte ik het vliegtuig in. Ik had ze eigenlijk voor moeten laten gaan, nog een nacht van spanning moeten volhouden. Maar ik had plotseling haast, moest naar mijn kinderen. Daar boven in de lucht, in de vrije val, was het opeens glashelder. Ook mijn eigen kern was gestript tot de essentie, alle extra bagage overboord. Ik was een egoïst, ik was een overlever. Ik moest blijven leven voor mijn kinderen. Het gaf wel degelijk. 

© Dianne van Oosterhout op .

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.