SCHRIJFACTIVITEIT: PROEFSTUK

Je schrijft veel en graag en bent meestal tevreden over je schrijfresultaten. Je deed al mee aan schrijfactiviteiten en schrijfwedstrijden maar je kunt nu ook een verhaal of gedicht laten zien waar je echt trots op bent of... waar je juist nog over twijfelt maar wat je wel graag aan anderen wilt laten zien. Dat is mogelijk in deze rubriek. Leden van Schrijverspunt kunnen in deze rubriek een schrijfresultaat tonen als een proefstuk van eigen kunnen. Er zijn geen voorwaarden voor genre, aantal woorden, etc. Het is jouw proefstuk wat jij graag aan anderen wilt laten lezen. Je mag max. 1 proefstuk insturen!
Van lezers verwachten we respect voor de publicatie. Beloon de schrijver voor zijn/haar durf en inzet met serieuze feedback.

Klik voor alle schrijfactiviteiten in het menu op SCHRIJFACTIVITEITEN.

De denker

Publicatie: | Danny Vandenberk

Je hebt denkers en je hebt doeners, zo simpel kun je ‘t stellen. En ik ben een denker, dacht hij. Het was zelfs zo erg dat zijn doen ernstig in gebreke bleef. Zo nu en dan verplichtte hij zichzelf ertoe. Tot actie. Op momenten dat hij zich verveelde. Hij zat in zijn auto en was opnieuw op weg naar de bioscoop. Op zijn achttiende was hij meteen met vlag en wimpel geslaagd voor zijn rijexamen. Toch vond hij zichzelf geen al te beste chauffeur. Vanwege zijn aandachtsproblemen. Het was een van de pot gerukt idee, maar bijna constant had hij het gevoel dat hij verheven was, dat zijn geest ergens boven zijn lichaam zweefde. Met hoogheidswaanzin had het niks te maken. O zo vaak voelde hij zich een toeschouwer. Alsof hij niet deelnam aan de dingen die anderen deden. Oordelen deed hij wel. En denken. Denken in de plaats van die erop los levende mensen. Zelf leken ze er veel te weinig aan toe te komen. Er waren zoveel doeners en zo weinig denkers. Ook in de auto liet het hem niet los. Daar overdacht hij voorbije situaties. Of toekomstige. Mogelijke scenario’s overlopen bijvoorbeeld. Excuses bedenken voor het feit dat hij als volwassene naar een kinderfilm ging kijken. Hij kon zeggen dat hij een ietwat overbezorgde papa was, die de gewoonte had om zich ervan te vergewissen dat de film die zijn twee zoontjes binnenkort wilden gaan kijken wel geschikt was, of er niet te veel geweld in voorkwam, dat soort dingen. Of dat hij een professioneel tekenaar was, iemand die zelf aan animatiefilms werkte. Misschien kon hij zeggen dat hij een inspecteur was van de bioscoopketen, of een soort kwaliteitscontroleur. Iemand die belast was met het toezicht op de totaalbeleving van het filmgebeuren. Van ticketing naar versnapering tot het entertainment in de zaal zelf. Met zijn lichtjes kalende hoofd, vooral aan de slapen, had hij er het uiterlijk voor. Bovendien liep hij altijd netjes gekleed. Zoals steeds in een lichtgrijs pak, inclusief gilet, zwarte das en wit overhemd. Te netjes eigenlijk voor een nonchalant bioscoopbezoek in de vakantiemaand augustus. Ja, inspecteur was een bruikbare. Het vakantiejobbertje aan het loket zou hem nooit om legitimatie durven te vragen. Als het al nodig zou zijn om iets te zeggen. Ze zouden het zelf snel vermoeden als een deftige, intellectueel ogende dertiger in zijn eentje een ticket voor de nieuwe tekenfilm van The Minions zou vragen. In zaal zes. Niks om me zorgen over te maken, besloot hij.

Eens hij zijn autootje geparkeerd had, viel er een brok stress van hem af. In het oude mijngebouw, dat jaren geleden werd omgetoverd tot een heus cinemacomplex, ging hij op een eenzaam bankje zitten. Zijn bankje. Om te kijken. Naar de muren, de posters, de grote klok, de figuurtjes in de vloerbedekking … Wat hield hij toch van tapijten. Zo rustgevend. In zijn bescheiden verblijfplaats vond je geen centimetertje onbedekte wand of ‘koude vloer’. Hier ook niet. Dit was een heel klein beetje als thuiskomen. Hij keek naar de groepjes mensen. Gezinnen met kinderen vooral, maar ook koppels van alle leeftijden en groepjes jongeren. De enige eenzaat zat, en dat was hij. De sfeer opsnuiven heet dit. De sfeer en de popcorn in de verte. Zelf zou hij het nooit in z’n hoofd halen om versnaperingen of drankjes mee te nemen naar de filmzaal. Hij zou zich schuldig voelen bij elk krakend of smakkend geluidje en hij zou zich ongetwijfeld verslikken bij het drinken van een flesje cola in het halfdonker. Nee. No way. Na een minuutje of tien begon hij zichzelf op te peppen en zijn moed te verzamelen. De wachtrij aan de loketten slonk zienderogen. Dik vijf minuten later legde hij beide handpalmen op z’n knieën en hief ze tweemaal kort na mekaar op om ze meteen daarna weer op z’n knieschijven te laten ploffen. Actie!

The Minions in zaal zes? Eén volwassene?’ Zie je, hij vindt me raar. Je kan zoveel scenario’s bedenken als je wil en je aanstellen zoveel je wil, niets van zo’n plan blijft per slot van rekening overeind. Hij knikte zo snel als menselijk mogelijk was drie keer en voelde zijn pols versnellen en zijn hart pompen. Het zweet liep over zijn rug. Waarom moet dit zo lang duren? Waarom moeten die ticketverkopertjes alles zo tergend langzaam samenvattend herhalen en waarom moesten ze in godsnaam laten blijken dat deze situatie niet normaal was? ‘U weet dat u voor de Nederlandstalige versie heeft gekozen, meneer? De Engelstalige versie met ondertiteling begint eveneens om half drie, maar dan in zaal negen.’ Alweer ging zijn hoofd vliegensvlug op en neer. Geef me gewoon dat ticket, dacht hij. Geef me gewoon dat ellendige ticket! Ik weet welke versie ik gekozen heb, puisterige puberidioot! Achter hem voelde hij de menigte, de honderden bloeddorstige ongeduldigaards die grommend en knorrend van drift, gejaagdheid en onbegrip wriemelden en wemelden en hem nog net niet met scherpe voorwerpen in zijn rug porden. ‘Kijk, meneer, hier ziet u een zitschema van zaal zes. De groene vierkantjes zijn plaatsen die nog vrij zijn, de rode zijn allemaal bezet.’ De puist draaide een schermpje in zijn richting. In minder dan twee seconden koos hij voor rij 16, stoel 12. Redelijk vooraan, maar niet te dicht, want dat leidt gegarandeerd tot nekpijn achteraf. Netjes in het midden van de rij (zo had je minder last van passerende mensen die ook voor rij 16 hadden gekozen) in een compleet groene zone van vrije zitjes. Ooit, toen hij voor de allereerste keer zo’n schermpje naar zich toegedraaid kreeg, had hij in volle paniek voor rij 5, stoel 1 gekozen en had hij een kramp in zijn hamstrings gekregen toen hij zijn knieën zo ver mogelijk had ingetrokken voor een oma die de handen vol had met twee emmers popcorn en evenveel flesjes Fristi voor haar schreeuwerige kleindochters, waarvan er eentje in extremis en tot overmaat van ramp op zijn linkervoet had getrapt. Zonder zich te excuseren!

De chaos in zijn hoofd verdween. Dit, dit had hij keurig gedaan. Hij lachte en keek in een opwelling even achterom. Er stond maar een iemand achter hem. Een nonchalant geklede en vriendelijke lachende jonge kerel van een jaar of twintig. Verder helemaal niemand. Hij voelde zich eerst idioot, daarna opgelucht en even later fier. De warme gloed die hij uiteindelijk gewaarwerd, was er een van zelfvertrouwen. Zelfs het betalen met de kaart, inclusief het intypen van zijn geheime code en het laten afscheuren van zijn ticket door een andere jobstudentikoze snotaap, eentje met een aangezicht vol rosse sproeten, verliep in zijn beleving volkomen vlekkeloos.

Schitterend, dacht hij toen de inleidende reclamefilmpjes bijna allemaal afgelopen waren en hij in gedachten even ging zweven. De zaal voor ongeveer dertig procent gevuld en rondom mij een relatieve leegte. Ideaal. Quinn Janssens was helemaal op zijn gemak. Quinn. Hij had het altijd een eigenaardige naam gevonden. Wat hij nog vreemder vond, was dat hij nooit aan zijn mama had gevraagd waarom ze voor die specifieke voornaam hadden gekozen. De band met zijn papa was nooit heel hecht geweest. Papa dronk graag en zijn zoon Quinn vond zulks verderfelijk. Je verstand benevel je niet. Je gebruikt het om te denken. Altijd.

‘Quinn’ interpreteerde hij inmiddels als ‘ik win’. ‘k Win. Liefst van al had hij ook een meer exotische achternaam gehad, bij voorkeur met een dubbelzinnig bodempje. Iets frivools, waar het geluk vanaf spatte. Italiaans misschien. Quinn Dell’Otto bijvoorbeeld. Hij glimlachte. Diep in zijn onzekerheid schuilde iets onoverwinnelijks. Hoewel hij niet echt veel levenservaring had, leek het weleens alsof hij veel had meegemaakt. Vrienden had hij nooit gehad. Een liefje evenmin. Het kon hem weinig schelen. Behalve wanneer hij naar de bioscoop ging. Af en toe voelde hij zich ongemakkelijk. Dan miste hij iemand om samen mee in de wachtrij te staan, iemand om samen mee te lachen tijdens en na de film, kortom iemand die zijn passie deelde. Die passie zou zich dan eventueel verder ontwikkelen in een relatie, dacht hij. Ach, waarschijnlijk was hij veel te rationeel voor zaken als verliefdheid en aanverwante gevoelens. Zelfs romantische films konden hem niet boeien.

Net toen hij zich weer in zijn zetel wilde laten zakken werd het muisstil en pikdonker. De film ging beginnen. Op gevoel en omdat hij onbewust misschien heel even wat lichtinval had gezien, draaide hij zijn hoofd in de richting van de zware inkomdeur, die plots hard dichtklapte. Laatkomers. Hij haatte laatkomers. Het waren mensen zonder discipline en zonder respect, vond hij. De openingsscène van een film was een magisch moment en bovendien vaak van groot belang voor het verdere verloop. Wat een domheid en nonchalance om die te missen en misschien ook te verstoren voor anderen. Hij keek met volle aandacht naar het grote scherm, ook toen er aan zijn linkerzijde twee silhouetten voor ‘zijn’ rij, zijn lege rij 16, halt hielden. En ja hoor, hij voelde hen al even snel naderen dan dat ze dichterbij kwamen. Dit kon toch niet? Dit was toch niet aan het gebeuren? Hij gunde hen nog steeds geen blik, maar voelde hoe een ouder koppel plaatsnam op stoelen 10 en 11, direct links van hem. Wie doet nu zoiets? In een volledig groene zone vlak naast de enige rode, ingenomen plaats komen zitten! Onvoorstelbaar. Alhoewel, misschien waren de oudjes al een hele tijd niet meer in de bioscoop geweest. De kans bestond dat ze compleet verrast waren toen dat snotjong van de kaartjesverkoop dat befaamde schermpje met de groene en rode zitjes voor hun neus had geduwd. Een paniekreactie. Ja, dat moet het geweest zijn. Ach, de oudere dame naast hem hield netjes afstand. Focussen op de film werd desondanks moeilijk. Gefluister. Een zwakte. Zodra er in zijn omgeving gefluisterd werd, kon hij niet anders dan zijn oren spitsen en luistervinken. Hij had altijd al een uitstekend gehoor gehad.

‘Ik weet nog steeds niet wat we hier in godsnaam zitten te doen,’ hoorde hij de oude man fezelen. ‘Dit is toch echt niks meer voor ons, zo’n tekenfilm. Ik hou sowieso niet van drukte.’ Tussen de twee zinnetjes die hij uitsprak, schraapte de man heel even zijn keel. Quinn verstijfde. Omdat hij wist dat hij zich in dit soort zaken niet al te vaak vergiste. Het kuchje van daarnet had hij in zijn leven al vaker gehoord.

‘Ik wil het zo. Thuis word ik gek. Vandaag is het exact drie jaar geleden,’ fluisterde de oude dame. ‘En wees nu stil. Ik wil graag volgen. Lachen. Meeleven.’ Dat gebeurde. Bij de eerstvolgende grap van de gele mannetjes op het grote doek proestte ze het uit. Al snel voelde haar aanwezigheid aan als ‘vertrouwd’. Een gevoel dat hij in zijn leven nog niet vaak had mogen ervaren. Quinn was een man van gewoontes en hij had niet de gewoonte om zijn blik van het scherm af te wenden, maar het viel hem op dat de vrouw naast hem op exact dezelfde momenten als hij verschoof, kreetjes slaakte en lachte wanneer hij dat deed. Met precies dezelfde intensiteit.

‘Hier ben ik echt te oud voor geworden.’ Opnieuw dat kuchje, dat halve rocheltje, gevolgd door een geërgerde zucht.

‘Je weet dat hij dol was op tekenfilms. Deze zou hij zeker gaan kijken. Ongeveer hier zou hij komen zitten, onze jongen. Niet helemaal vooraan, centraal en liefst zonder te veel mensen om hem heen.’

‘Zal wel. Ik ben weg. Ik ga iets drinken. Hier tegenover is een gezellig café.’

Hij stond bruusk recht. Zijn stoel klapperde ervan na. Meteen gevolgd door die van zijn vrouw, die nog voor hij helemaal uitgesproken was naar haar handtas had gegrabbeld. ‘Nee, jij gaat niet drinken! Niet!’

Voor het eerst sinds heel lang registreerde Quinn niet meteen wat er zich rondom hem afspeelde. Hij werd helemaal opgeslorpt door een bloedstollende achtervolgingsscène.

Pauze. Een aantal spots floepten aan. ‘Niet!’ galmde er door zijn hoofd. ‘Niet!’ Twee lege stoelen naast hem. ‘Niet!’ Hij voelde zich weer heel even kind worden. Zoals toen, die ene keer, toen hij voor het eerst moussaka had gegeten en zijn mama had gezegd dat dat een Grieks gerecht was. ‘Grieken gooien na de maaltijd hun bord tegen de muur!’ riep hij grappend, terwijl hij naar zijn bord grabbelde en het naar de keukenmuur dreigde te gooien. ‘Niet!’

Hoe kan het toch dat ik zoveel gemist heb, dacht hij. Met gesloten ogen concentreerde hij zich op het tumult in de zaal. Al snel voelde het alsof hij zich nabij het plafond bevond. Alsof hij zweefde en op die manier een totaaloverzicht kreeg. Een ros jongetje met sproeten dat dringend moest gaan plassen, wilde dat zijn mama met ‘m meeging, maar ze zei dat hij dat alleen kon en dat hij anders even moest wachten omdat mama nog even haar berichtjes moest checken op haar smartphone. Twee meisjes op rij zes maakten ruzie om het laatste restje van hun gezamenlijke zak paprikachips en twee pubers met jeansjasjes zaten heftig te kussen op de laatste rij. Van het oude koppeltje van daarnet was niets meer te bespeuren.

Het tweede deel van de film begon. Zijn interesse was enigszins verdwenen. Dat was hem nog nooit overkomen. Bij het eerste deel had hij zich rot geamuseerd, had hij zich op een bijzondere manier geborgen gevoeld. Het was niet altijd even makkelijk voor hem om zijn voortdurende filosofische en andere gedachten aan de kant te schuiven en te genieten van ‘eenvoudig’ amusement. Belangrijke voorwaarde was die innerlijke rust, die o zo moeilijk bereikbare geborgenheid. Die was nu weer verdwenen. Allerlei jeugdherinneringen flitsten door zijn hoofd. Hij tuurde naar het grote scherm en zag zichzelf als kind. Al zijn jeugdige avonturen, de avontuurlijke vrijheid van dat eerste fietsritje zonder zijwieltjes, ravotten met zijn oudere broer Jonathan, de paniek die hij gevoeld had tijdens dat uitstapje naar Bokrijk toen hij zijn ouders en broer niet meer terugvond in die speeltuin die zo gigantisch groot voor hem leek en de tranen van blijdschap in mama’s ogen bij het weerzien, die keer dat hij samen met zijn moeder naar de bioscoop ging om Finding Nemo te bekijken nadat zijn broer had gezegd dat hij niet mee wilde omdat dat iets voor kleine kinderen was en Quinn samen met mama achteraf een grote aardbeienmilkshake was gaan drinken. Dat hij daarna nog knuffels kreeg, een dikke van mama en een pluchen Nemo-visje dat achteraf jarenlang in en rond zijn bed zou doorbrengen ... Zijn lievelingsknuffel. Op dit moment koesterde hij echter die omarming met mama zoveel meer. Zoveel meer. Een traan rolde over zijn wangen. De spots gingen weer aan. Het kabaal van de slotscène had hij opnieuw niet opgemerkt. Het geschater tussendoor evenmin. Ook het traditionele geroezemoes en tumult van zijn medepubliek bij het verlaten van de zaal registreerde hij niet. Zoals gewoonlijk vertrok hij zelf als allerlaatste, terwijl het jeugdige personeel in gele T-shirtjes al op zoek ging naar de zopas leeggevreten chipszakken, uitgezogen drinkbekers, uitgespuugde stukjes popcorn en godweetwelke andere rotzooi.

Nog steeds een beetje onder de indruk slenterde hij door de lange, brede gang die van de bioscoopzaal naar de inkomhal leidde. Toen hij daar arriveerde, zag hij wat verderop een reclamebord voor een komische film: Man In The Mirror. Naast het bord stond een grote spiegel. Een soort lachspiegel blijkbaar, zo te horen aan de reacties van mensen die ervoor gingen staan. Net toen hij er passeerde, stond er even niemand. Dat moest hij toch ook even geprobeerd hebben. Hij ging ervoor staan ... Geen spiegelbeeld. Hij stak zijn armen even in de lucht, zwaaide met beide handen en fronste de wenkbrauwen. Hij sloot zijn ogen even, opende ze opnieuw en keek nog een laatste keer in de spiegel. Opeens verscheen een enorme kale man met een heel klein hoofdje en een zwarte bril. Een lach. Quinn keek verschrikt achterom een daar stond een kale man met een bril, normaal van gestalte. De man grijnsde nog wat na en stapte toen weer verder.

Om even te bekomen ging Quinn terug op het eenzame bankje zitten van daarstraks. Zijn bankje. Het bankje dat hij bij aankomst altijd gebruikte om te acclimatiseren aan de drukte van een bioscoop. Deze keer bracht het geen rust. Integendeel. Zijn hoofd stond op ontploffen. Hij drukte zijn handpalmen tegen zijn ogen en deed ineens wat hij bij zijn weten nog nooit gedaan had: waanzinnig luid krijsen en schreeuwen. Tijdens die oerschreeuw, die hem instant hoofdpijn en tranen in de ogen bezorgde, passeerde vlak naast hem een gezin met twee kinderen. Een paar meter verderop stonden twee vrouwen rustig met elkaar te praten. Niemand reageerde. Niemand. Voor het eerst wist hij niet meer wat hij moest denken, laat staan doen.

Op datzelfde ogenblik, in vogelvlucht ongeveer vijf kilometer verderop, bladerde een oudere dame langzaam in een fotoboek. Foto’s van een jongetje naast een oude schuur in het openluchtmuseum van Bokrijk, van datzelfde jongetje dat fietste op een fietsje met zijwieltjes en daarnaast eentje waarop hij fietste zonder zijwieltjes, het jongetje dat lag te slapen terwijl hij een knuffel van een oranje clownsvisje vasthield, een jongeman die lachend een afstudeerhoedje weggooit, een uitvergrote foto van een bachelordiploma in de wijsbegeerte en een foto van een lichtjes kalende man van rond de dertig naast een spiksplinternieuw autootje met een grote strik eromheen. De dame betastte koesterend en mijmerend elke foto. Bij de laatste, die met de auto, begon ze zachtjes te huilen. Ze legde haar bril op het salontafeltje, waarop twee afgescheurde bioscoopkaartjes van The Minions lagen en zocht haar zakdoek, waardoor het fotoboek wat verschoof op haar schoot. Er viel een krantenknipseltje uit van drie jaar geleden:

 

JONGE DERTIGER KOMT OM NA SMARTELIJK ONGEVALIn de Evence Coppéelaan in Genk, in de omgeving van het bioscoopcomplex, kwam zaterdagavond de 31-jarige Q.J. (eveneens uit Genk), om het leven na een klap met zijn auto tegen een muur. Over de precieze oorzaak en de reden waarom de bestuurder de controle over zijn voertuig verloor, tast de politie voorlopig in het duister.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.
19.08.22
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.

Ik ga een heel eind met je mee, Danny, behalve het verzinnen van scenario's, ik ben en blijf mezelf. Met gespannen aandacht gelezen, origineel onderwerp, de persoonsoverdracht verloopt vlekkeloos maar grijpt je onmiddellijk naar de keel, dit kan niet goed aflopen. Qua sfeerschepping subtiel waar gepast, brutaal waar nodig, schitterend gedoseerd. Ontzettend geslaagd proefstuk. Er wacht je een mooie schrijftoekomst, Danny.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

Ook gratis meedoen aan een schrijfactiviteit? We publiceren je inzending voor minimaal 12 maanden. Meedoen is mogelijk door in te loggen en dan bovenin de pagina op de rode balk te klikken. Nog geen lid? Aanmelden is gratis.