Voor schrijvers, door schrijvers
15 inzendingen in deze rubriek

Ook jouw tekstbijdrage is welkom en meedoen is gratis.

Proefstuk

Je schrijft veel en graag en bent meestal tevreden over je schrijfresultaten. Je deed al mee aan schrijfactiviteiten en schrijfwedstrijden maar je kunt nu ook een verhaal of gedicht laten zien waar je echt trots op bent of... waar je juist nog over twijfelt maar wat je wel graag aan anderen wilt laten zien.
Dat is nu mogelijk in deze rubriek. Leden van Schrijverspunt kunnen in deze rubriek een schrijfresultaat tonen wat gezien kan worden als een proefstuk van eigen kunnen. Er zijn geen voorwaarden voor genre, aantal woorden, etc. Het is jouw proefstuk wat jij graag aan anderen wilt laten lezen.
Van lezers verwachten we respect voor de publicatie. Beloon de schrijver voor zijn/haar durf en inzet met serieuze feedback. Feedback is een reactie geven (geen advies) op dat wat je gelezen hebt. Het is aan de schrijver om die reactie te vertalen naar een actie.
Klik hier
Eerst inloggen of (gratis) aanmelden s.v.p. om je artikel in te zenden.
(klik op de button om in te loggen of je aan te melden)

220 Hits

Publicatie op:
Manet en het halfduister

Manet keert op een mooie julidag terug uit de dood. Het is geen abrupt ontwaken. Hij doet zijn ogen open en ontwaart alleen duisternis. Hij merkt dat hij in een bed ligt. Manet herinnert zich niets van zijn dromen, maar kan zich wel zijn doodstrijd voor de geest halen. ‘Hallo?' zegt hij voorzichtig. Ergens gaat een licht aan. Een verpleegster in een onmogelijk kort uniform komt binnen. Hij staat op.

Dan merkt hij de man voor het raam op. Hij heeft een boek in zijn ene hand en een fles felgroen spul - absint? - in de andere. De onbekende draait zich om en kijkt Manet aan. Het is Baudelaire. Hij houdt een nagelnieuw exemplaar van zijn essaybundel ‘Peintre de la vie moderne' vast, met op het voorblad een ingekleurde fotogravure van L'Olympia.

‘Dit is een afschuwelijke eeuw. Iedereen wil eeuwig leven. Maar niemand wil de prijs betalen. Wij zijn niet gemaakt om zo lang te leven als dat betekent dat we niet meer waardig kunnen doodgaan.' Hierop neemt hij een flinke slok van de fles.

Manet vraagt voorzichtig: ‘Welke eeuw is dit? En wie heeft ons teruggebracht?'

Baudelaire snuift. ‘Dit is het jaar 2027. We zijn teruggebracht door iets dat nog erger is dan de duivel: de wetenschap. We hadden het verkeerd met onze theorie over het moderne leven. Je zal wel zien. Ik zal het je tonen.'

De verpleegster neemt Baudelaire zijn fles af: ‘Ik had je nog zo gewaarschuwd om voorzichtig te zijn. Je kent intussen de consequenties. Kom nu maar mee.' Baudelaire krimpt in elkaar en zwijgt. Manet voelt zich ineens net zo eenzaam als de figuren op zijn schilderijen. Misschien hoopt hij nog steeds dat dit een nachtmerrie is. Dat is echter niet zo.

Samen lopen ze door een zwart geschilderde gang met daguerreotypes in kleur. Hij herkent Monets Waterlelies, Rembrandts Nachtwacht en zijn eigen Déjeuner sur l’Herbe. Hij vraagt Baudelaire: ‘Waarom hebben ze die werken opgehangen in het halfduister?’

Baudelaire lacht. ‘Om ons eraan te herinneren dat we op geleende tijd leven. Aan het hof van de farao’s werden enkel kunstenaars die zwegen gespaard, wist je dat? Die mochten blijven werken. Wat zou jij gekozen hebben: je mening geven en sterven? Of zwijgen en overleven?’

‘Wat is dat voor een onmogelijke vraag?’

Manet probeert een deur midden in de gang. De witgekalkte ruimte erachter is gevuld met glazen bokalen. In elk ervan zit een figuur in een andere fase van wording. Hij herkent vaag Monet: ‘Ze willen je als voortrekker van een wansmakelijk artistiek experiment, Manet, maar je hoeft niet mee te werken als je dat niet wil. Denk ik.' Het vlees van Degas hangt week en weelderig over de rand van een tweede glas. Berthe Morisots gezicht is platgedrukt tegen de bokaal als dat van een pasgeboren mopshondje. ‘Vlucht weg, nu dat nog kan!,’ sist ze. Maar dan slaat de verpleegster de deur dicht.

Ze lopen in stilte verder naar een hok vol spiegels. De verpleegster drukt op een knop en de deuren glijden geruisloos dicht. De kooi vliegt aan een onmogelijk rotvaart naar boven. Manet beseft dat het een lift is. Hij klemt zich in paniek vast aan de verpleegster. Eindelijk houden ze stil. Wanneer de deuren opengaan, ziet Manet een hoop naakte jongedames bij elkaar staan in een défilé van veel te jonge lichamen. Ze hebben een felgroen, rechthoekig kaartje om de enkel met een nummer. Allemaal kijken ze hem verwachtingsvol aan. Baudelaire knijpt Manet bemoedigend in zijn rechterarm en duwt hem naar voren. De verpleegster blijft voor de liftdeur staan.

               Een model drukt zich iets te dicht tegen Manet aan. Haar mond ruikt naar tabak en haar huid naar goedkope eau de cologne.

‘Kies mij voor l'Olympia. U zal het zich niet beklagen. Ik heb de juiste kleur haar en de juiste ogen.' Manet ziet dat die ogen wazig staan, de pupillen vergroot zijn en de zwarte lijnen eronder opgelost. De slordige rode vegen op haar lippen lopen verder op haar tanden. Manet antwoordt met twee woorden, nog steeds de welopgevoede gentleman: ‘Nee, bedankt.' Naast hem grinnikt Baudelaire en slaat zijn armen om een ander model. Blijkbaar heeft hij zijn absint teruggekregen. Hij ziet er al behoorlijk aangeschoten uit, net als het model in zijn armen.

Zij kijkt Manet samenzweerderig aan: ‘Nee, kies mij. Onze bazin zegt dat ik een Vermeermeisje ben, maar volgens mij lijk ik meer op l'Olympia. Vermeer is helemaal uit de mode, trouwens.’

Manets oog valt op het podium. Een meisje van hoogstens vijftien zit op het blauwe doek van Déjeuner sur l'herbe. Het doek is uitgespreid op een rond spinnend stuk metaal. Haar melkwitte borsten stralen in het licht. Ze is beschilderd met bruintinten, dezelfde kleuren als op Déjeuner sur l'herbe. Zwarte schaduwlijnen accentueren haar vormen, net als de zwarte lijnen die hij altijd gebruikt om de contouren te tekenen van zijn figuren op het doek. Haar glanzende billen weerkaatsen het licht. Manet kan zijn ogen niet van haar afhouden. De plaat stopt met draaien. Het meisje wankelt ervan af en stapt op hem toe. Ze glimlacht breed, waarbij haar perfecte gebit zichtbaar wordt. Manet denkt aan Roodkapje die de wolf naar zijn grote tanden vraagt. ‘Fijn om u te zien,  meester. Ik ben gekozen voor Déjeuner sur l’herbe. Maar mijn tinten hier en hier zijn nog niet goed, vindt u ook niet?' Ze wijst onbeschroomd naar haar schaamstreek en een klein plekje in haar nek. Manet staat er bedremmeld bij.

Een vrouw die de leiding lijkt te hebben, neemt het gesprek over. Ze spreekt langzaam, alsof ze het tegen een traag kind heeft: ‘Zo, Manet, je wilt natuurlijk weten waarom je hier bent.'

‘In het geheel niet. Ik wil hier vooral snel weg.'

De vrouw buigt zich over hem heen. Ze is minstens twee meter groot. ‘Natuurlijk wil je dat weten. Je hebt twee eeuwen geleden een boel vrouwen geïnspireerd met je visie. Dat ga je opnieuw doen. Je hebt hier heel wat jonge vrouwen ter beschikking als canvas. Ze behaalden allemaal een diploma toegepaste replicaschilderkunst en zijn door en door vertrouwd met je werk. Ze kunnen je assisteren bij het schilderproces. Helaas wijkt dat wel iets af van wat je gewend was.' Baudelaire grijnst: ‘Je hebt natuurlijk ook de voordelen in natura. Wat denk je: past zij goed bij me? Of eerder dat model ginds? Tenzij jij haar wil natuurlijk, dan mag je haar hebben.' Hij neemt nog een flinke slok van zijn fles.

Manet schudt zijn hoofd. ‘Ik hoef hun jeugd niet te stelen. Ik heb voldoende aan de schaduwen van onze leeftijd.’

Prompt geeft het model van Baudelaire hem een klap in het gezicht. ‘De afspraak was dat jij me zou helpen om bij Manet op een goed blaadje te komen. Maar je bent volslagen nutteloos.'

Het duizelt Manet. Hij richt zich tot de aanvoerdster, tracht zich aan haar arm vast te klampen. ‘U gebruikt levende modellen als canvas?'

De vrouw rukt zich los van Manet. ‘Natuurlijk. Wij gebruiken geen doeken meer. Het kunstwerk wordt rechtstreeks op het model geschilderd. Vergeef me. Onze opdrachtgevers hebben weinig geduld en tijd is geld.’

‘Hoe ben ik hier terechtgekomen?'

De vrouw zucht. ‘Technisch gezien ben je een kloon. Wij hebben een exacte replica gemaakt aan de hand van een restje DNA uit Manets graf.'

‘DNA?'

‘Een exacte kopie van je genen. Sorry, ben je vertrouwd met het begrip genen? Zie het als een exacte reproductie van een schilderij. Dankzij de geheugenexpert bezit je alle herinneringen en gevoelens van het origineel tot aan zijn dood. Dat maakt alles veel makkelijker. In theorie dan toch. Sorry, maar er is geen tijd voor meer vragen. Je moet nu echt aan het werk.'

‘Waarom verwijst u steeds naar mijn werken uit het verleden? Wat als ik iets nieuws wil maken?'

De vrouw zucht opnieuw. ‘Onze opdrachtgevers zijn niet geïnteresseerd in nieuwigheden. Alleen bekende werken doen het vandaag goed op kunstveilingen. Julie is onze ster: zij poseert al zes jaar als Victorine Meurent in 'Déjeuner sur l'herbe'. Ze bracht onlangs 2,3 miljard dollar op bij Christie's. Nieuw werk zou die prijs nooit evenaren.‘

Julie glimlacht net iets te uitbundig: ‘Meesterwerken kosten tijd, nietwaar?'

‘Waarom heb je mij nog nodig als je al een meesterwerk bent?'

‘De kleuren vervagen en moeten om de zoveel tijd opnieuw worden aangebracht.'

 ‘Wie deed dat hiervoor?'

Julie is even van haar stuk gebracht. Dan glimlacht ze weer. ‘Laat ons zeggen... een mindere meester. Ik kijk al uit naar onze samenwerking.'

‘Zo jong en al naakt poseren? Wat vindt je moeder daarvan?'

Julie snuift. ‘Ik poseer al sinds mijn negende, hoor. En mijn moeder stelde echt helemaal niets voor. Ze hield te hardnekkig vast aan de oude schildertechnieken op doek die niemand nog interesseren. Gelukkig is mijn vader snel van haar gescheiden. Onze houdbaarheidsdatum bedraagt maximaal twintig jaar. Vooral Indiërs willen hun modellen graag fris en jong.'

Manet wendt zich tot de aanvoerdster: ‘Wat als ik enkel met klonen van de originele modellen zoals Victorine en Suzon wil werken? Of met Berthe? Ik heb haar hier al gezien.'

               ‘Berthe is gekloond om haar eigen werk te schilderen. Wij hebben een model voor ‘De Wieg' klaarstaan dat het erg goed zal doen op de Aziatische markt. En om je tweede vraag te beantwoorden: wij gebruiken geen gekloonde modellen als canvas. Kwestie van onze investeerders een frisse insteek te geven op bekend werk.'

Manet pakt de arm van Baudelaire. ‘Kom eens even mee. Ik wil je alleen spreken.' Beide mannen zonderen zich af. Manet fluistert: ‘Hoe komen we zo snel mogelijk weg uit dit gekkenhuis?'

‘Niet, vrees ik. Geloof me, er is niets wat ik nog niet geprobeerd heb.'

‘Ik geloof je niet.’

Baudelaire maakt zijn zakhorloge los en poetst het op, schijnbaar volledig op zijn gemak. Hij blijft poetsen totdat het horloge glanst als een spiegelpaleis op de kermis.

Manet zegt: ‘Ook goed. Dan ben ik ervandoor zonder je. Bekijk het maar.’

Ineens zit Baudelaires hand als een duimschroef rond zijn pols.

‘Als je niet meewerkt, word je gestraft, Manet.’

‘Wat bedoel je?’

               ‘Met verlamming. Met doofheid. Met hetgene waarmee ze je het hardst kunnen raken. In jouw geval zal het blindheid zijn, vermoed ik.’

               ‘Dat is onzin.’

               ‘Ik hoor je. Het staat je vrij om mij te negeren. En hun vonnis te ondergaan.’

               ‘Hun vonnis? Waarmee straffen ze me dan? Met levenslange duisternis?’              

‘Levenslang niet. Dat zou niet rendabel zijn.’

 ‘Hoe komt het dat jij hier zo rustig onder blijft?'

Baudelaire laat zijn pols los en begint opnieuw zijn horloge te poetsen. ‘Ik begrijp hoe je je voelt.’

‘Oh ja? Echt?’

Baudelaire maakt zijn horloge terug vast, steekt zijn duim achter de revers van zijn jacquet en wacht een tijdje voor hij antwoord geeft.

‘Nee, uiteraard weet ik niet wat je voelt. Maar ik ken je. Jij bent een koppige ezel die altijd je eigen zin wilt doordrijven. Ik raad je ten stelligste aan om dit te laten gaan. Je kan beter het beste maken van deze hele situatie. Zoals ik probeer te doen.'

'Wat bedoel je?'

‘Zo pijnloos mogelijk, Manet. Je zou nooit je weg vinden in de wereld daarbuiten. Het belangrijkste is dat je zo snel mogelijk start met je nieuwe leven. Daar kan ik je bij helpen.'

'Wat als ik niet meewerk?'

Baudelaire blaast. 'Dan heb ik op zijn minst mijn best gedaan om je te waarschuwen. Maar ik wil je toch nog een laatste keer smeken om mee te werken, zodat ik je wél kan bijstaan. Zoals jij voor mij hebt gedaan tijdens mijn ballingschap in Brussel.'

Manet bekijkt zijn vriend kritisch. Het is niets voor Baudelaire om te smeken.

'Wat was het eerste wat jij deed?'

'Wanneer?'

'Toen je wakker werd en ze je hun toekomstplannen verteld hebben.'

Baudelaire haalt zijn schouders op: 'Ik bezatte me met absint. Denk ik.'

'Zoals je nu nog altijd doet. Welke taak heb jij gekregen?'

Baudelaire haalt zijn hand over zijn gezicht. 'Officieel om te zien of oude exemplaren van mijn boeken authentiek zijn. Voor hun veilingen. Alles staat hier in het teken van geld. Officieus omdat ik veel mensen uit de artistieke kringen van de 19e eeuw ken.'

‘Hoe bedoel je?’

'Het is mijn taak hen in te wijden in de nieuwe wereld.’

'En bevalt je dat zo'n beetje, samenwerken met die verpleegster en modellen?'

Baudelaire ontwijkt zijn blik. 'Geloof me, dat wil je niet weten.'

'Dat moet ik weten.'

'Meer kan ik je niet vertellen.'

Manet denkt aan Suzanne en Leon, die al honderdvijftig jaar in hun graf liggen en aan het gewicht van de uren, dagen en eeuwen die hen scheiden. Hij vraagt zich af wat het laatste is geweest dat ze gezien hebben vooraleer ze stierven: elkaar of alleen duisternis zoals hij. Beter gezegd, zoals zijn origineel. Het is vreemd om zich een leven te herinneren dat hij zelf niet heeft geleefd. En dan denkt hij aan alle dingen die hij nog zou willen zien. Zonder zijn ogen is hij niets. Hij kijkt verlangend naar de lift achter hem. Maar dat is buiten de verpleegster gerekend. Zij vergrendelt de deuren en sluit hem zo op in dit ogenblik.

'Ok. Ik doe het.'

Baudelaire lacht, opgelucht. 'Dat was de juiste keuze, Manet.’
'Ik ben bang, Charles. Ik begrijp niet wat er van mij verwacht wordt.'

‘We zijn allemaal bang.' Baudelaire zet zijn hoed op.

'Blijf je niet? Ik dacht dat je mij zou helpen?'

'Dat kan later. Ik heb een taxi laten bellen.' Baudelaire maakt een zwierige buiging en vertrekt. Prompt loopt er een model met hem mee en roept de lift voor hem. Op de laatste knip draait Baudelaire zich nog even om: ‘Je hebt veertien dagen tot de opening van je solo-expositie. Tijd om aan de slag te gaan!' Dan glijden de liftdeuren dicht. Manet is alleen.

Hij gaat terug naar het atelier en trekt de werkjas aan die klaar hangt. Het is stil geworden bij de modellen. De aanvoerdster spreekt hem aan: ‘Je mist je familie vast wel. Als je goed meewerkt, kunnen we later misschien toch je vrouw nog klonen. Zie het als een incentive.’ Manet knikt, al heeft hij geen idee wat een incentive is. Dan stort hij zich op de penselen. Hij bestudeert de penselen nauwkeurig, kiest er één, duwt hem in verf, probeert die op een vod, veegt de kleur dan weer uit, kiest een volgend penseel, smeert en wist uit in een razend tempo terwijl hij de duisternis inhaleert in deze ruimte waar elke kleur lijkt op zijn vrouw. Dan wenkt hij naar het verste model. Ze heeft iets weg van Victorine in haar jonge jaren. Ze delen allebei een soort nukkige introversie. Verbaasd staart het model hem aan. Ze lijkt door de hand gods geslagen, maar hij vermoedt dat ze enkel verlegen is. Manet besluit de rest uit hun lijden te verlossen: ‘Ik kies voor het portret van de straatzangeres, met haar als model.' Zo mag dat arme meisje tenminste kleren aandoen, en kan hij zich concentreren. De leidster neemt opnieuw het woord. 'Zij is niet de juiste persoon voor deze opdracht. Ze is pas afgestudeerd. Julie zou veel geschikter zijn. Zij heeft haar beurswaarde al bewezen.’

'Als kunstenaar heb ik toch zeker wel recht op de eindbeslissing? Anders stop ik ermee.'

‘Jij je zin. Maar we zullen haar ogen moeten vervangen. En haar haar ook.'

‘Hoe bedoelt u?'
Het meisje begint te beven.

‘Victorine had bruine ogen en rossig haar. Dit meisje is enkel geschikt voor minder bekend werk zoals je anonieme portret van een jonge vrouw met blond haar en blauwe ogen uit 1878. Tenzij we bepaalde onderdelen vervangen.'

 ‘Kan ze geen pruik dragen? En u kan haar ogen toch wel aanpassen met uw moderne technieken?'

‘Kunstkenners houden niet van hulpstukken.'

‘Dan eis ik een ander model.

'Je hebt je keuze gemaakt en binnen twee weken heb je een solotentoonstelling. Zo leer je meteen welke consequenties een beslissing heeft. Zij moet dringend geprepareerd worden. Onze financiers eisen zo perfect mogelijke replica’s.'

Manet slaat zijn armen om het model heen om haar te beschermen, maar zij maakt zich zelf van hem los. De andere vrouwen houden hem vast, zodat hij niet opnieuw kan tussenkomen. Hij ziet nog net de verwijtende blik van het meisje voordat ze weggevoerd wordt. Manet werpt zijn werkjas resoluut op de grond. Deze mensen hebben niets begrepen van artistieke vrijheid. ‘Dan stop ik ermee. Ik weiger die meisjes te laten mishandelen. Ik doe het op mijn manier of helemaal niet.'

De leidster zucht. ‘Ik wist wel dat je ongeschikt zou blijken. Het heeft geen zin om meer tijd in je te investeren. Wij moeten een volledige reboot doen voor de financiers zich terugtrekken.' En dan tegen twee bewakers die zich tot nog toe discreet op de achtergrond hebben gehouden: ‘Voer hem af.' De bewakers grijpen hem ruw onder zijn armen en slepen hem mee naar een gebouw naast het atelier, een oude, afgedankte fabriek. Het is er donker. Manet hoort vaag geritsel vanuit de duisternis, alsof er schimmen rondwaren. De leidster haalt een korte, lichtgevende staaf uit haar tas. Het witblauwe licht onthult een rij knokige, afgeleefde meisjes van twaalf tot vijftien jaar. Ze zijn vastgemaakt aan de muren met een ketting. Allemaal missen ze iets: een oog, de nagels of het haar. Hij vraagt de aanvoerdster: ‘Wie zijn dat?’

‘Reserveonderdelen.’

Een meisje van ongeveer twaalf pakt zijn arm vast. Ze heeft dezelfde kleur haar en ogen als zijn model, ziet Manet. Hij buigt zich naar haar toe, maar de bewakers trekken hem buiten het bereik van de ketting en bedreigen het meisje met een stok. Ze krimpt in elkaar. ‘Laat haar met rust,' schreeuwt Manet tegen de bewakers. Die negeren hem en slaan het meisje een paar keer. Manet voelt zich verdoofd, gebroken.

Ze voeren hem mee naar een soort labo op de eerste verdieping van de fabriek. Boven het labo is er een groot bedieningspaneel. Het gezicht achter het paneel is verborgen met een zakdoek. Toch heeft het iets bekends. De persoon draagt een jacquet, ziet Manet.

‘Wat gaat er met mij gebeuren?,’ vraagt hij aan de aanvoerdster.

‘Je wordt nog een keer aangepast. We starten met een lobotomie, denk ik.’

Er knapt iets in Manet. Hij rukt zich los en voor iemand hem kan tegenhouden, rent hij naar het balkon en springt naar beneden. Terwijl hij valt, denkt hij aan farao's.

 
Hoofdstuk 1
 
Piep, piep, piep. Met een hoop gekreun en gesteun kom ik boven mijn deken uit. Piep, piep, piep, hoor ik nog steeds door mijn kamer. Waar is dat ding? Denk ik. Het gepiep wordt steeds harder en ik word steeds geïrriteerder. Ik sla mijn deken van me af en tast in het donker naar het lichtknopje. Mijn telefoon piept nog steeds. Eindelijk, het licht gaat aan en ik zie mijn kamer. De kast in de hoek, mijn spiegel en de grote stoel waar ik me helemaal in kan verstoppen. Op blote voeten loop ik naar de stoel en trek er een stapel kleren uit. Helemaal onderop ligt mijn telefoon, ik druk het alarm uit. Zou ik nou wakker worden met een leuk nummer, dan was mijn dag een stuk beter begonnen in plaats van met dat ergerlijke gepiep. Ik trek een jurkje, dat uit de kledingzaak komt waar ik werk, uit mijn kast. De winkel heet ‘My World’. Belachelijke naam, maar de zaak heeft wel schattige kleren. Ik ken de eigenaren en hun kinderen, Dee en Luuk. Dee is lang en heeft blond, lang, stijl haar. Ze zit bij ons op school, alleen dan in het laatste jaar. Luuk is al bijna eenentwintig en werkt fulltime in een skihal. Hij heeft me leren snowboarden. Doordat die hal in de buurt van Amsterdam is, heb ik hem al lange tijd niet gezien. Ik ga voor mijn spiegel staan, mijn bruine haar hangt op mijn borst. Met mijn borstel ga ik erdoorheen en maak een wat slordige vlecht naar links. Onder mijn ogen zitten grote paarse wallen. Door mascara op te doen probeer ik ze te verbergen, maar het werkt niet echt. Uiteindelijk is het mijn eigen schuld, had ik maar niet tot halfeen Netflix moeten kijken. Ik kon alleen niet meer stoppen. Grimm is gewoon te spannend, nog maar één seizoen en ik ben klaar.
Ik draai me om en wil mijn kamer uitlopen. Ik zet een stap en stoot me tegen mijn bed, ik moet een scheldwoord onderdrukken en wrijf over de pijnlijke plek. Ik loop naar de badkamer terwijl ik mijn Instagram nakijk. Mijn foto die ik gepost heb is al meer dan honderdtwintig keer geliket, het is er een van Milla en mij in het zwembad. Haar lichtroze haren en donkerblauwe ogen laten haar een beetje op een elfje lijken. Ze lacht breed en je kan goed zien dat haar voortanden een heel klein beetje uit elkaar staan. Vroeger werd er altijd aan haar gevraagd of ze een beugel zou nemen, maar ze heeft altijd nee gezegd. “Op die spleet na staat alles toch gewoon recht, ze leren er maar mee leven.” Vaak moest ik erom lachen. Het hoort bij haar, net als roze haren en vrolijke kleren. Ik steek met die gedachte mijn tandenborstel in mijn mond. Van beneden hoor ik geschreeuw. Waarschijnlijk hebben onze honden, Day en Light een vaas van de tafel geslagen met hun staart. Ik klim op de rand van het bad en kijk uit het raampje over ons land, mijn land. Ik woon in een groot huis met vier andere kinderen. We zijn allemaal broers en zussen met andere ouders. We hebben twee honden, vier paarden, een kat, een vogel, een handvol kippen en twee konijnen. Het is hier net een dierentuin. We hebben allemaal onze eigen slaapkamer, helaas met maar een badkamer. In de verte zie ik net onze boomhut die we samen met Lars, onze vader hebben gemaakt. Ik ga weer op de grond staan, dan loop ik naar de wasbak en spuug mijn tandpasta uit. Ik spoel mijn mond, ga naar de wc en dan ben ik helemaal klaar om naar beneden te gaan. Ik voel me nu wel toonbaar.
De trap zit gelijk in de woonkamer naast de buitendeur. Kim, mijn moeder, zit op de bank en aait over het koppie van Day. “Goedemorgen Dream, heb je goed geslapen?” Ze weet dat ik 's ochtends liever niet praat, maar ik kan niet anders dan haar antwoorden. “Jij ook?” vraag ik daarom. Ze lacht, er komen kuiltjes in haar wangen. Haar rimpels zijn bijna niet te zien. Misschien moet ik daar ook niet aan denken, zo oud is ze niet, pas achtenveertig. Goed, toch best wel oud naast een zeventienjarig meisje dat geen zorgen heeft en haar haren niet zwart hoeft te verven, omdat ze grijs begint te worden. Ik loop snel door naar de keuken. De grote tafel in het midden geeft me een benauwd gevoel. Amelie, mijn ‘zusje’ zit te ontbijten. Ze heeft al net zo’n humeur als ik. Haar zwarte kroeshaar staat alle kanten op. Ze heeft een geel jasje aan, ik herken het. “Zo heb jij de winkel leeggekocht?” Ze kijkt op, “Ja, hij staat leuk toch?” Ik knik, tuurlijk staat het haar leuk, zoals alles wat ze uitkiest. Ik loop naar de koelkast en haal er een pot met jam uit, dan trek ik de vriezer open en haal er een half witbrood uit. Mijn gezicht staat op onweer, iemand heeft van mijn brood gegeten. “Oh Dream, het spijt me ik heb nog geen tijd gehad om brood te halen.” Het is Kim die ineens naast me staat. Ik schrik van haar hoge stem achter me, mijn gezicht ontspant weer en ik lijk bijna normaal. Ik leg alles op een houten plank en maak mijn brood klaar. Niemand hoeft in mijn hoofd te kijken en niemand hoeft te weten hoe alleen ik me voel. Met een bord loop ik de veranda op. De zon schijnt maar het is nog koud buiten, het is bijna april maar het is nog niet warmer geweest dan vijftien graden. Ik voel de wind door mijn haar gaan, terwijl ik naar de trampoline loop die naast de boomgaard staat. Ik kom langs het zwembad en de barbecueplaats. De grote trampoline komt in beeld samen met de schommel. Ik ga op de rand zitten, het zou me niks verbazen als ik ziek zal worden, maar hier is het tenminste wel rustig. Kai komt het huis uit stormen met een skateboard onder zijn arm. “Hé zussie van me, ga je mee naar voren.” Ik schud mijn hoofd. Ik ben zo’n persoon van weinig woorden. Er zijn maar een paar mensen waar ik me echt bij op me gemak voel. Milla, dat is logisch ze is mijn beste vriendin. Luuk, maar die zit in Amsterdam ver weg bij mij vandaan en Dee, zijn zusje. We zitten samen op dezelfde opleiding voor mode alleen zit ze een klas hoger dan ik. Vroeger voelde ik me hier meer thuis, toen we meer met elkaar omgingen en gek konden doen. Nu merk ik dat we elkaar steeds vaker niet begrijpen. We zijn gewoon te verschillend, al hebben we één ding gemeen: we zijn alle vijf geadopteerd. Kim en Lars voelen wel als mijn ouders, ik was zes toen ik bij ze kwam wonen. Kai was er toen al. Hij was een koppige jongen van acht. Misschien is dat ook de reden dat ik het, van iedereen het beste met hem kan vinden. Het is niet zo dat ik veel met hem praat, maar van iedereen hier in huis wel het meeste met hem. We trekken vaak samen op, dan gaan we samen skateboarden of freerunnen, nieuwe trucjes leren op de trampoline en zwemmen. Was het maar weer zomer.
Ik kijk op mijn telefoon, het is negen uur. Ik moet weg, op naar mijn werk. Ik loop naar de voordeur en maak hem open. Vrijwel meteen rent Day langs me heen en volgt Light haar naar buiten. Ik kan nog net opzij springen. Terwijl ik de spelende honden nakijk loop ik achteruit naar binnen. “Hé Dream, zal ik je wegbrengen?” Het is Lars.
“Nee ik ga fietsen, maar bedankt.”
“Oké tot vanavond, wil je iets specials eten?”
“Nee.”
Nog steeds komen er maar weinig woorden uit mijn mond.
Hoe kan iemand je zo slecht laten voelen, zonder dat je zelf iets gedaan hebt? Het is bijna een jaar geleden dat ik in het ziekenhuis heb gestaan, zijn hand vast heb gehouden en afscheid heb genomen van hem. De rillingen lopen opnieuw over mijn rug. Ik heb vrede met zijn dood. We hadden geen ruzie, we wisten dat het zou gaan gebeuren en we hebben plezier gehad samen. Toch zou ik hem in mijn armen willen houden, zijn stem nog een keertje horen. Ik weet dat hij van me houdt, net zoveel als ik van hem. Ik kan me alleen, zelfs nu we een jaar verder zijn niet inbeelden hoe het met een andere jongen zou zijn. Ik betwijfel of er ooit nog iemand in mijn leven komt, die zijn plaats kan innemen. Voor ik mijn tas pak en schoenen aantrek, werp ik nog een laatste blik naar de kast waar de foto van ons beetje apart gezin staat met in het midden Dylan en ik. We staan knuffelend met een grote lach op onze gezichten. Ik weet nog goed hoe hij me kuste. Dat hij me troostte als ik verdrietig was en met me mee ging rijden, zelfs als het regende. Ik hou nog steeds elke dag van hem, zoveel, dat gaat nooit over. Er is gewoon niemand die hem kan vervangen. Wij hoorden bij elkaar, al was het maar kort, veel te kort.
Ik loop over het lange grindpad naar de schuur, waar mijn fiets staat. Als ik er bijna ben, zie ik twee benen bungelen. Het is Kai, zijn witblonde haar staat alle kanten op. Hij zit boven op de laadplaats van de hooizolder. Ik roep naar hem:
“Doe je een beetje voorzichtig?”
“Ja, tuurlijk”, zegt hij. Hij weet hoe ik me voel, hij voelt zich ook zo. Dylan was een van zijn beste vrienden. Ik stop mijn tas in het mandje van mijn fiets en haal mijn fiets van het slot. Lekker twintig minuten fietsen naar Rotterdam, je moet er nou eenmaal wat voor over hebben.
Eerst fiets ik de dijk op, langs het water en de weilanden. Zodra ik daar langs ben, kom ik tussen de huizen. Er lopen al mensen over straat. Ik heb het koud en het begint te regen. Misschien had ik toch beter op het aanbod van Lars in kunnen gaan. Waarom deed ik dat eigenlijk niet, omdat ik bang ben om te moeten spreken? Waarom wil iedereen dan ook alles van mij weten, ben ik zo'n belangrijk persoon? Nee dat ben ik niet. Ik ben gewoon een geadopteerd kind met liefdesverdriet, zo noemen ze het toch? Niks verdriet, ik wist dat het zou gebeuren en ik kan er gewoon mee leven. Ik veeg de tranen uit mijn ogen. Ik wil gewoon niet zielig gevonden worden. Het gaat prima zolang ik maar niet in mijn gedachten blijf hangen, dus blijf ik altijd bezig. Ik droom te veel over hem en denk nog te vaak aan hem. Alsjeblieft, ga uit mijn hoofd!
Ik kom eindelijk bij het winkelplein. Ik zet mijn fiets in de stalling en loop naar de achterkant van de winkel waar ik naar binnen ga. Dee is er al, ze hangt rustig en beheerst nieuwe kleren in een rek. Ik loop naar haar toe en probeer haar zo vrolijk mogelijk te begroeten. Ze lacht naar me. Ze weet hoe ik me voel, al praten we er nooit over, dat wil ik niet. Kon ik het maar gewoon vergeten, het achter me laten, verder gaan met mijn leven. Kwam ik maar gewoon iemand tegen die me die vlinders weer geeft. Ik help Dee met de kleren ophangen. Daarna loop ik naar de deur en haal hem van het slot. Het is tien uur en we moeten open. Ik heb geen zin in mensen maar zoals alles wat ik doe zorgt het voor afleiding.
Gelukkig vliegt de ochtend voorbij en zijn er maar weinig mensen die om hulp vragen. Na de lunch kan ik er helaas niet aan ontkomen en moet ik een moeder met haar dochter helpen. Het is een mooi slank meisje met blond haar. Ik help haar met wat kleding en zoek wat andere kledingstukken bij elkaar, waarvan ik bijna zeker weet dat ze dat leuk zal vinden. Ik heb gelijk gehad, ze is eigenlijk bijna gelijk verliefd op het rode jurkje dat ik haar heb aangegeven. Ook de groene broek met witte trui doen het goed bij haar. Alleen de zwarte laarsjes wijst ze af, ze houdt meer van gympen dat kan ik ook wel begrijpen. Helemaal blij verlaat ze de winkel en ga ik, alles wat ze niet wilde terughangen. Ik kijk op de klok, bijna drie uur, ik moet nog wel even. Dee heeft gevraagd of ik tot zes uur kan blijven, er is niemand anders die kan invallen. Natuurlijk kan ik dat, thuis heb ik toch niks te doen. Zodra Milla binnen loopt en hulp vraagt met het uitzoeken voor een feestoutfit, die ze bij haar oma aan kan, zeg ik geen nee en ik bloei zelfs weer een beetje op. Alleen zodra ze de winkel verlaat merk ik dat ik weer terug instort en heel erg moe ben, nog steeds mijn eigen schuld, had ik maar eerder moeten gaan slapen. Vermoeidheid is geen excuus om eerder weg te kunnen. Ik heb het aan Dee beloofd.
Als ik eindelijk naar achter kan heb ik pijn in mijn voeten, heb ik het koud en ben ik doodop. Toch ben ik trots op mezelf dat ik het bijna acht en een half uur heb vol gehouden, zonder in te storten.
Een meisje komt binnen, ze ziet er gehaast uit en gooit haar spullen op de bank. Het is Lola, ze werkt ook bij ons. Meestal zie ik haar niet, omdat ik normaal om drie uur klaar ben. Ze zegt me snel gedag en rent dan naar voren, de winkel in. Normaal staat Dee altijd van drie tot ze gaan sluiten. Zo makkelijk als je ouders de baas zijn. Stiekem vraag ik me af waarom ze nu niet kon. Er wordt op de deur geklopt, ik draai me om, ik kan het niet geloven. Een lange jongen met een stoppelbaard, blond haar dat netjes zit en een bril kijkt mij recht in mijn ogen aan.
"Luuk?" het komt er een beetje vaag uit. Hij loopt naar me toe en geeft me een knuffel.
"Hé, heb je me gemist?" vraagt hij terwijl ik nog steeds in zijn armen sta.
"Tuurlijk het is zo saai hier zonder jou."
Hij laat me los.
"Ga je weg?"
"Ja ik ben klaar voor vandaag, maar ben zo blij je weer eens gezien te hebben. Je ziet er goed uit."
Hij lacht.
"Ik ben ook blij jou weer eens te zien."
Dan geeft hij me nog een knuffel en zeggen we gedag. Ik heb in geen maanden zoveel gezegd tegen iemand. Wat Luuk gedaan heeft, geen idee, maar er is een lach op mijn gezicht verschenen, die me oprecht laat stralen.
De regen lijkt me niks meer te doen, ik lach alleen nog. Zo blij ben ik om hem weer eens gezien te hebben. Vroeger zagen we elkaar vaak, dan was ik aan het werk en kwam hij even gezellig kletsen.
"Kom je helpen?" Vroeg ik dan.
Hij lachte dan en zei:
"Nee, dit is niks voor mij."
Dan hadden we het over verre reizen maken en verschillende soorten sport die hij wilde beoefenen. Ineens snap ik waarom Dee niet kon blijven. Luuk is terug en ze wil daar aandacht aan geven. Als hij weg is, is het nog maar de vraag wanneer we weer iets van hem zullen horen.
 
Ben je nieuwschrieg naar het vervolg
Ga niet weg
 
 
&caption=schrijverspunt.nl" class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'facebook');"> facebook
  • twitter
  • Dan zie ik Luuk zijn vader staan.
    "Rennen meisje, hij gaat bijna weg.", zegt hij. Ik probeer naar hem te lachen, maar het kost moeite. Ik hap naar lucht, geef een klein knikje om mezelf moed te geven. Ik voel nog snel de hand van Dee op mijn schouder en dan ren ik langs de incheckbalie. Ik adem in door mijn neus, uit door mijn mond. Er zit een steek in mijn zij, het doet zo’n pijn, maar ik moet door. Mensen kijken me na. Die zullen wel denken dat ik mijn vlucht ga missen, maar nee het is veel erger dan een gemiste vlucht. Hij moet het weten, hij moet alles weten over wat ik voor hem voel. Ineens sta ik stil voor een groot bord. Tijdens mijn race tegen de klok heb ik me bedacht dat ik geen idee heb waar ik naar toe moet. Alle vluchten staan onder elkaar, ik word er alleen niet wijzer van en als een gek blijven rennen heeft geen zin. Dan is de kans dat ik hem misloop veel te groot. Alles leek zo goed te gaan, maar nu zakt al mijn hoop weer weg. Ik had net zo goed in bed kunnen blijven en hem gewoon een appje kunnen sturen.
    Veel te lang sta ik al stil, waarom nu opgeven, beter kan ik blijven lopen als een kip zonder kop dan blijven staan. Ik weet zeker dat ik hem kan vinden als ik maar niet opgeef, er staan toch wegwijsborden hier of is dat een overbodige luxe? Hoe moeten al die reizigers anders weten waar ze heen moeten? Ik begin opnieuw te rennen en zie douane en bewaking. Met mijn vingers gekruist hoop ik dat ze me niet verdacht vinden. Ineens komen er heel veel mensen van links, alsof ze allemaal weg vluchten. Waarschijnlijk komen ze uit een vliegtuig en zijn ze op weg naar huis of hun volgende vlucht.
    Mijn benen kunnen me bijna niet meer dragen, al het zuurstof begint eruit te trekken en de klok geeft aan dat ik nog ongeveer een minuut heb. Waarom moet het hier zo groot zijn en waarom ken ik de weg niet? Wat als ik nou de verkeerde kant op ren, nog verder bij hem vandaan? Mijn hoofd duizelt, ik knijp in mijn handen en ren nog harder. In mijn hoofd haal ik alles nog een keer terug van de afgelopen weken. Misschien helpt het me om hem te vinden in deze mensenmassa.
  •  
    Hoofdstuk 1
     
    Piep, piep, piep. Met een hoop gekreun en gesteun kom ik boven mijn deken uit. Piep, piep, piep, hoor ik nog steeds door mijn kamer. Waar is dat ding? Denk ik. Het gepiep wordt steeds harder en ik word steeds geïrriteerder. Ik sla mijn deken van me af en tast in het donker naar het lichtknopje. Mijn telefoon piept nog steeds. Eindelijk, het licht gaat aan en ik zie mijn kamer. De kast in de hoek, mijn spiegel en de grote stoel waar ik me helemaal in kan verstoppen. Op blote voeten loop ik naar de stoel en trek er een stapel kleren uit. Helemaal onderop ligt mijn telefoon, ik druk het alarm uit. Zou ik nou wakker worden met een leuk nummer, dan was mijn dag een stuk beter begonnen in plaats van met dat ergerlijke gepiep. Ik trek een jurkje, dat uit de kledingzaak komt waar ik werk, uit mijn kast. De winkel heet ‘My World’. Belachelijke naam, maar de zaak heeft wel schattige kleren. Ik ken de eigenaren en hun kinderen, Dee en Luuk. Dee is lang en heeft blond, lang, stijl haar. Ze zit bij ons op school, alleen dan in het laatste jaar. Luuk is al bijna eenentwintig en werkt fulltime in een skihal. Hij heeft me leren snowboarden. Doordat die hal in de buurt van Amsterdam is, heb ik hem al lange tijd niet gezien. Ik ga voor mijn spiegel staan, mijn bruine haar hangt op mijn borst. Met mijn borstel ga ik erdoorheen en maak een wat slordige vlecht naar links. Onder mijn ogen zitten grote paarse wallen. Door mascara op te doen probeer ik ze te verbergen, maar het werkt niet echt. Uiteindelijk is het mijn eigen schuld, had ik maar niet tot halfeen Netflix moeten kijken. Ik kon alleen niet meer stoppen. Grimm is gewoon te spannend, nog maar één seizoen en ik ben klaar.
    Ik draai me om en wil mijn kamer uitlopen. Ik zet een stap en stoot me tegen mijn bed, ik moet een scheldwoord onderdrukken en wrijf over de pijnlijke plek. Ik loop naar de badkamer terwijl ik mijn Instagram nakijk. Mijn foto die ik gepost heb is al meer dan honderdtwintig keer geliket, het is er een van Milla en mij in het zwembad. Haar lichtroze haren en donkerblauwe ogen laten haar een beetje op een elfje lijken. Ze lacht breed en je kan goed zien dat haar voortanden een heel klein beetje uit elkaar staan. Vroeger werd er altijd aan haar gevraagd of ze een beugel zou nemen, maar ze heeft altijd nee gezegd. “Op die spleet na staat alles toch gewoon recht, ze leren er maar mee leven.” Vaak moest ik erom lachen. Het hoort bij haar, net als roze haren en vrolijke kleren. Ik steek met die gedachte mijn tandenborstel in mijn mond. Van beneden hoor ik geschreeuw. Waarschijnlijk hebben onze honden, Day en Light een vaas van de tafel geslagen met hun staart. Ik klim op de rand van het bad en kijk uit het raampje over ons land, mijn land. Ik woon in een groot huis met vier andere kinderen. We zijn allemaal broers en zussen met andere ouders. We hebben twee honden, vier paarden, een kat, een vogel, een handvol kippen en twee konijnen. Het is hier net een dierentuin. We hebben allemaal onze eigen slaapkamer, helaas met maar een badkamer. In de verte zie ik net onze boomhut die we samen met Lars, onze vader hebben gemaakt. Ik ga weer op de grond staan, dan loop ik naar de wasbak en spuug mijn tandpasta uit. Ik spoel mijn mond, ga naar de wc en dan ben ik helemaal klaar om naar beneden te gaan. Ik voel me nu wel toonbaar.
    De trap zit gelijk in de woonkamer naast de buitendeur. Kim, mijn moeder, zit op de bank en aait over het koppie van Day. “Goedemorgen Dream, heb je goed geslapen?” Ze weet dat ik 's ochtends liever niet praat, maar ik kan niet anders dan haar antwoorden. “Jij ook?” vraag ik daarom. Ze lacht, er komen kuiltjes in haar wangen. Haar rimpels zijn bijna niet te zien. Misschien moet ik daar ook niet aan denken, zo oud is ze niet, pas achtenveertig. Goed, toch best wel oud naast een zeventienjarig meisje dat geen zorgen heeft en haar haren niet zwart hoeft te verven, omdat ze grijs begint te worden. Ik loop snel door naar de keuken. De grote tafel in het midden geeft me een benauwd gevoel. Amelie, mijn ‘zusje’ zit te ontbijten. Ze heeft al net zo’n humeur als ik. Haar zwarte kroeshaar staat alle kanten op. Ze heeft een geel jasje aan, ik herken het. “Zo heb jij de winkel leeggekocht?” Ze kijkt op, “Ja, hij staat leuk toch?” Ik knik, tuurlijk staat het haar leuk, zoals alles wat ze uitkiest. Ik loop naar de koelkast en haal er een pot met jam uit, dan trek ik de vriezer open en haal er een half witbrood uit. Mijn gezicht staat op onweer, iemand heeft van mijn brood gegeten. “Oh Dream, het spijt me ik heb nog geen tijd gehad om brood te halen.” Het is Kim die ineens naast me staat. Ik schrik van haar hoge stem achter me, mijn gezicht ontspant weer en ik lijk bijna normaal. Ik leg alles op een houten plank en maak mijn brood klaar. Niemand hoeft in mijn hoofd te kijken en niemand hoeft te weten hoe alleen ik me voel. Met een bord loop ik de veranda op. De zon schijnt maar het is nog koud buiten, het is bijna april maar het is nog niet warmer geweest dan vijftien graden. Ik voel de wind door mijn haar gaan, terwijl ik naar de trampoline loop die naast de boomgaard staat. Ik kom langs het zwembad en de barbecueplaats. De grote trampoline komt in beeld samen met de schommel. Ik ga op de rand zitten, het zou me niks verbazen als ik ziek zal worden, maar hier is het tenminste wel rustig. Kai komt het huis uit stormen met een skateboard onder zijn arm. “Hé zussie van me, ga je mee naar voren.” Ik schud mijn hoofd. Ik ben zo’n persoon van weinig woorden. Er zijn maar een paar mensen waar ik me echt bij op me gemak voel. Milla, dat is logisch ze is mijn beste vriendin. Luuk, maar die zit in Amsterdam ver weg bij mij vandaan en Dee, zijn zusje. We zitten samen op dezelfde opleiding voor mode alleen zit ze een klas hoger dan ik. Vroeger voelde ik me hier meer thuis, toen we meer met elkaar omgingen en gek konden doen. Nu merk ik dat we elkaar steeds vaker niet begrijpen. We zijn gewoon te verschillend, al hebben we één ding gemeen: we zijn alle vijf geadopteerd. Kim en Lars voelen wel als mijn ouders, ik was zes toen ik bij ze kwam wonen. Kai was er toen al. Hij was een koppige jongen van acht. Misschien is dat ook de reden dat ik het, van iedereen het beste met hem kan vinden. Het is niet zo dat ik veel met hem praat, maar van iedereen hier in huis wel het meeste met hem. We trekken vaak samen op, dan gaan we samen skateboarden of freerunnen, nieuwe trucjes leren op de trampoline en zwemmen. Was het maar weer zomer.
    Ik kijk op mijn telefoon, het is negen uur. Ik moet weg, op naar mijn werk. Ik loop naar de voordeur en maak hem open. Vrijwel meteen rent Day langs me heen en volgt Light haar naar buiten. Ik kan nog net opzij springen. Terwijl ik de spelende honden nakijk loop ik achteruit naar binnen. “Hé Dream, zal ik je wegbrengen?” Het is Lars.
    “Nee ik ga fietsen, maar bedankt.”
    “Oké tot vanavond, wil je iets specials eten?”
    “Nee.”
    Nog steeds komen er maar weinig woorden uit mijn mond.
    Hoe kan iemand je zo slecht laten voelen, zonder dat je zelf iets gedaan hebt? Het is bijna een jaar geleden dat ik in het ziekenhuis heb gestaan, zijn hand vast heb gehouden en afscheid heb genomen van hem. De rillingen lopen opnieuw over mijn rug. Ik heb vrede met zijn dood. We hadden geen ruzie, we wisten dat het zou gaan gebeuren en we hebben plezier gehad samen. Toch zou ik hem in mijn armen willen houden, zijn stem nog een keertje horen. Ik weet dat hij van me houdt, net zoveel als ik van hem. Ik kan me alleen, zelfs nu we een jaar verder zijn niet inbeelden hoe het met een andere jongen zou zijn. Ik betwijfel of er ooit nog iemand in mijn leven komt, die zijn plaats kan innemen. Voor ik mijn tas pak en schoenen aantrek, werp ik nog een laatste blik naar de kast waar de foto van ons beetje apart gezin staat met in het midden Dylan en ik. We staan knuffelend met een grote lach op onze gezichten. Ik weet nog goed hoe hij me kuste. Dat hij me troostte als ik verdrietig was en met me mee ging rijden, zelfs als het regende. Ik hou nog steeds elke dag van hem, zoveel, dat gaat nooit over. Er is gewoon niemand die hem kan vervangen. Wij hoorden bij elkaar, al was het maar kort, veel te kort.
    Ik loop over het lange grindpad naar de schuur, waar mijn fiets staat. Als ik er bijna ben, zie ik twee benen bungelen. Het is Kai, zijn witblonde haar staat alle kanten op. Hij zit boven op de laadplaats van de hooizolder. Ik roep naar hem:
    “Doe je een beetje voorzichtig?”
    “Ja, tuurlijk”, zegt hij. Hij weet hoe ik me voel, hij voelt zich ook zo. Dylan was een van zijn beste vrienden. Ik stop mijn tas in het mandje van mijn fiets en haal mijn fiets van het slot. Lekker twintig minuten fietsen naar Rotterdam, je moet er nou eenmaal wat voor over hebben.
    Eerst fiets ik de dijk op, langs het water en de weilanden. Zodra ik daar langs ben, kom ik tussen de huizen. Er lopen al mensen over straat. Ik heb het koud en het begint te regen. Misschien had ik toch beter op het aanbod van Lars in kunnen gaan. Waarom deed ik dat eigenlijk niet, omdat ik bang ben om te moeten spreken? Waarom wil iedereen dan ook alles van mij weten, ben ik zo'n belangrijk persoon? Nee dat ben ik niet. Ik ben gewoon een geadopteerd kind met liefdesverdriet, zo noemen ze het toch? Niks verdriet, ik wist dat het zou gebeuren en ik kan er gewoon mee leven. Ik veeg de tranen uit mijn ogen. Ik wil gewoon niet zielig gevonden worden. Het gaat prima zolang ik maar niet in mijn gedachten blijf hangen, dus blijf ik altijd bezig. Ik droom te veel over hem en denk nog te vaak aan hem. Alsjeblieft, ga uit mijn hoofd!
    Ik kom eindelijk bij het winkelplein. Ik zet mijn fiets in de stalling en loop naar de achterkant van de winkel waar ik naar binnen ga. Dee is er al, ze hangt rustig en beheerst nieuwe kleren in een rek. Ik loop naar haar toe en probeer haar zo vrolijk mogelijk te begroeten. Ze lacht naar me. Ze weet hoe ik me voel, al praten we er nooit over, dat wil ik niet. Kon ik het maar gewoon vergeten, het achter me laten, verder gaan met mijn leven. Kwam ik maar gewoon iemand tegen die me die vlinders weer geeft. Ik help Dee met de kleren ophangen. Daarna loop ik naar de deur en haal hem van het slot. Het is tien uur en we moeten open. Ik heb geen zin in mensen maar zoals alles wat ik doe zorgt het voor afleiding.
    Gelukkig vliegt de ochtend voorbij en zijn er maar weinig mensen die om hulp vragen. Na de lunch kan ik er helaas niet aan ontkomen en moet ik een moeder met haar dochter helpen. Het is een mooi slank meisje met blond haar. Ik help haar met wat kleding en zoek wat andere kledingstukken bij elkaar, waarvan ik bijna zeker weet dat ze dat leuk zal vinden. Ik heb gelijk gehad, ze is eigenlijk bijna gelijk verliefd op het rode jurkje dat ik haar heb aangegeven. Ook de groene broek met witte trui doen het goed bij haar. Alleen de zwarte laarsjes wijst ze af, ze houdt meer van gympen dat kan ik ook wel begrijpen. Helemaal blij verlaat ze de winkel en ga ik, alles wat ze niet wilde terughangen. Ik kijk op de klok, bijna drie uur, ik moet nog wel even. Dee heeft gevraagd of ik tot zes uur kan blijven, er is niemand anders die kan invallen. Natuurlijk kan ik dat, thuis heb ik toch niks te doen. Zodra Milla binnen loopt en hulp vraagt met het uitzoeken voor een feestoutfit, die ze bij haar oma aan kan, zeg ik geen nee en ik bloei zelfs weer een beetje op. Alleen zodra ze de winkel verlaat merk ik dat ik weer terug instort en heel erg moe ben, nog steeds mijn eigen schuld, had ik maar eerder moeten gaan slapen. Vermoeidheid is geen excuus om eerder weg te kunnen. Ik heb het aan Dee beloofd.
    Als ik eindelijk naar achter kan heb ik pijn in mijn voeten, heb ik het koud en ben ik doodop. Toch ben ik trots op mezelf dat ik het bijna acht en een half uur heb vol gehouden, zonder in te storten.
    Een meisje komt binnen, ze ziet er gehaast uit en gooit haar spullen op de bank. Het is Lola, ze werkt ook bij ons. Meestal zie ik haar niet, omdat ik normaal om drie uur klaar ben. Ze zegt me snel gedag en rent dan naar voren, de winkel in. Normaal staat Dee altijd van drie tot ze gaan sluiten. Zo makkelijk als je ouders de baas zijn. Stiekem vraag ik me af waarom ze nu niet kon. Er wordt op de deur geklopt, ik draai me om, ik kan het niet geloven. Een lange jongen met een stoppelbaard, blond haar dat netjes zit en een bril kijkt mij recht in mijn ogen aan.
    "Luuk?" het komt er een beetje vaag uit. Hij loopt naar me toe en geeft me een knuffel.
    "Hé, heb je me gemist?" vraagt hij terwijl ik nog steeds in zijn armen sta.
    "Tuurlijk het is zo saai hier zonder jou."
    Hij laat me los.
    "Ga je weg?"
    "Ja ik ben klaar voor vandaag, maar ben zo blij je weer eens gezien te hebben. Je ziet er goed uit."
    Hij lacht.
    "Ik ben ook blij jou weer eens te zien."
    Dan geeft hij me nog een knuffel en zeggen we gedag. Ik heb in geen maanden zoveel gezegd tegen iemand. Wat Luuk gedaan heeft, geen idee, maar er is een lach op mijn gezicht verschenen, die me oprecht laat stralen.
    De regen lijkt me niks meer te doen, ik lach alleen nog. Zo blij ben ik om hem weer eens gezien te hebben. Vroeger zagen we elkaar vaak, dan was ik aan het werk en kwam hij even gezellig kletsen.
    "Kom je helpen?" Vroeg ik dan.
    Hij lachte dan en zei:
    "Nee, dit is niks voor mij."
    Dan hadden we het over verre reizen maken en verschillende soorten sport die hij wilde beoefenen. Ineens snap ik waarom Dee niet kon blijven. Luuk is terug en ze wil daar aandacht aan geven. Als hij weg is, is het nog maar de vraag wanneer we weer iets van hem zullen horen.
     
    Ben je nieuwschrieg naar het vervolg
    Ga niet weg
     
     
    %0A%0Ahttps://schrijverspunt.nl/proefstuk/ga-niet-weg%0A%0A" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'email');"> email
  • instagram
  • Dan zie ik Luuk zijn vader staan.
    "Rennen meisje, hij gaat bijna weg.", zegt hij. Ik probeer naar hem te lachen, maar het kost moeite. Ik hap naar lucht, geef een klein knikje om mezelf moed te geven. Ik voel nog snel de hand van Dee op mijn schouder en dan ren ik langs de incheckbalie. Ik adem in door mijn neus, uit door mijn mond. Er zit een steek in mijn zij, het doet zo’n pijn, maar ik moet door. Mensen kijken me na. Die zullen wel denken dat ik mijn vlucht ga missen, maar nee het is veel erger dan een gemiste vlucht. Hij moet het weten, hij moet alles weten over wat ik voor hem voel. Ineens sta ik stil voor een groot bord. Tijdens mijn race tegen de klok heb ik me bedacht dat ik geen idee heb waar ik naar toe moet. Alle vluchten staan onder elkaar, ik word er alleen niet wijzer van en als een gek blijven rennen heeft geen zin. Dan is de kans dat ik hem misloop veel te groot. Alles leek zo goed te gaan, maar nu zakt al mijn hoop weer weg. Ik had net zo goed in bed kunnen blijven en hem gewoon een appje kunnen sturen.
    Veel te lang sta ik al stil, waarom nu opgeven, beter kan ik blijven lopen als een kip zonder kop dan blijven staan. Ik weet zeker dat ik hem kan vinden als ik maar niet opgeef, er staan toch wegwijsborden hier of is dat een overbodige luxe? Hoe moeten al die reizigers anders weten waar ze heen moeten? Ik begin opnieuw te rennen en zie douane en bewaking. Met mijn vingers gekruist hoop ik dat ze me niet verdacht vinden. Ineens komen er heel veel mensen van links, alsof ze allemaal weg vluchten. Waarschijnlijk komen ze uit een vliegtuig en zijn ze op weg naar huis of hun volgende vlucht.
    Mijn benen kunnen me bijna niet meer dragen, al het zuurstof begint eruit te trekken en de klok geeft aan dat ik nog ongeveer een minuut heb. Waarom moet het hier zo groot zijn en waarom ken ik de weg niet? Wat als ik nou de verkeerde kant op ren, nog verder bij hem vandaan? Mijn hoofd duizelt, ik knijp in mijn handen en ren nog harder. In mijn hoofd haal ik alles nog een keer terug van de afgelopen weken. Misschien helpt het me om hem te vinden in deze mensenmassa.
  •  
    Hoofdstuk 1
     
    Piep, piep, piep. Met een hoop gekreun en gesteun kom ik boven mijn deken uit. Piep, piep, piep, hoor ik nog steeds door mijn kamer. Waar is dat ding? Denk ik. Het gepiep wordt steeds harder en ik word steeds geïrriteerder. Ik sla mijn deken van me af en tast in het donker naar het lichtknopje. Mijn telefoon piept nog steeds. Eindelijk, het licht gaat aan en ik zie mijn kamer. De kast in de hoek, mijn spiegel en de grote stoel waar ik me helemaal in kan verstoppen. Op blote voeten loop ik naar de stoel en trek er een stapel kleren uit. Helemaal onderop ligt mijn telefoon, ik druk het alarm uit. Zou ik nou wakker worden met een leuk nummer, dan was mijn dag een stuk beter begonnen in plaats van met dat ergerlijke gepiep. Ik trek een jurkje, dat uit de kledingzaak komt waar ik werk, uit mijn kast. De winkel heet ‘My World’. Belachelijke naam, maar de zaak heeft wel schattige kleren. Ik ken de eigenaren en hun kinderen, Dee en Luuk. Dee is lang en heeft blond, lang, stijl haar. Ze zit bij ons op school, alleen dan in het laatste jaar. Luuk is al bijna eenentwintig en werkt fulltime in een skihal. Hij heeft me leren snowboarden. Doordat die hal in de buurt van Amsterdam is, heb ik hem al lange tijd niet gezien. Ik ga voor mijn spiegel staan, mijn bruine haar hangt op mijn borst. Met mijn borstel ga ik erdoorheen en maak een wat slordige vlecht naar links. Onder mijn ogen zitten grote paarse wallen. Door mascara op te doen probeer ik ze te verbergen, maar het werkt niet echt. Uiteindelijk is het mijn eigen schuld, had ik maar niet tot halfeen Netflix moeten kijken. Ik kon alleen niet meer stoppen. Grimm is gewoon te spannend, nog maar één seizoen en ik ben klaar.
    Ik draai me om en wil mijn kamer uitlopen. Ik zet een stap en stoot me tegen mijn bed, ik moet een scheldwoord onderdrukken en wrijf over de pijnlijke plek. Ik loop naar de badkamer terwijl ik mijn Instagram nakijk. Mijn foto die ik gepost heb is al meer dan honderdtwintig keer geliket, het is er een van Milla en mij in het zwembad. Haar lichtroze haren en donkerblauwe ogen laten haar een beetje op een elfje lijken. Ze lacht breed en je kan goed zien dat haar voortanden een heel klein beetje uit elkaar staan. Vroeger werd er altijd aan haar gevraagd of ze een beugel zou nemen, maar ze heeft altijd nee gezegd. “Op die spleet na staat alles toch gewoon recht, ze leren er maar mee leven.” Vaak moest ik erom lachen. Het hoort bij haar, net als roze haren en vrolijke kleren. Ik steek met die gedachte mijn tandenborstel in mijn mond. Van beneden hoor ik geschreeuw. Waarschijnlijk hebben onze honden, Day en Light een vaas van de tafel geslagen met hun staart. Ik klim op de rand van het bad en kijk uit het raampje over ons land, mijn land. Ik woon in een groot huis met vier andere kinderen. We zijn allemaal broers en zussen met andere ouders. We hebben twee honden, vier paarden, een kat, een vogel, een handvol kippen en twee konijnen. Het is hier net een dierentuin. We hebben allemaal onze eigen slaapkamer, helaas met maar een badkamer. In de verte zie ik net onze boomhut die we samen met Lars, onze vader hebben gemaakt. Ik ga weer op de grond staan, dan loop ik naar de wasbak en spuug mijn tandpasta uit. Ik spoel mijn mond, ga naar de wc en dan ben ik helemaal klaar om naar beneden te gaan. Ik voel me nu wel toonbaar.
    De trap zit gelijk in de woonkamer naast de buitendeur. Kim, mijn moeder, zit op de bank en aait over het koppie van Day. “Goedemorgen Dream, heb je goed geslapen?” Ze weet dat ik 's ochtends liever niet praat, maar ik kan niet anders dan haar antwoorden. “Jij ook?” vraag ik daarom. Ze lacht, er komen kuiltjes in haar wangen. Haar rimpels zijn bijna niet te zien. Misschien moet ik daar ook niet aan denken, zo oud is ze niet, pas achtenveertig. Goed, toch best wel oud naast een zeventienjarig meisje dat geen zorgen heeft en haar haren niet zwart hoeft te verven, omdat ze grijs begint te worden. Ik loop snel door naar de keuken. De grote tafel in het midden geeft me een benauwd gevoel. Amelie, mijn ‘zusje’ zit te ontbijten. Ze heeft al net zo’n humeur als ik. Haar zwarte kroeshaar staat alle kanten op. Ze heeft een geel jasje aan, ik herken het. “Zo heb jij de winkel leeggekocht?” Ze kijkt op, “Ja, hij staat leuk toch?” Ik knik, tuurlijk staat het haar leuk, zoals alles wat ze uitkiest. Ik loop naar de koelkast en haal er een pot met jam uit, dan trek ik de vriezer open en haal er een half witbrood uit. Mijn gezicht staat op onweer, iemand heeft van mijn brood gegeten. “Oh Dream, het spijt me ik heb nog geen tijd gehad om brood te halen.” Het is Kim die ineens naast me staat. Ik schrik van haar hoge stem achter me, mijn gezicht ontspant weer en ik lijk bijna normaal. Ik leg alles op een houten plank en maak mijn brood klaar. Niemand hoeft in mijn hoofd te kijken en niemand hoeft te weten hoe alleen ik me voel. Met een bord loop ik de veranda op. De zon schijnt maar het is nog koud buiten, het is bijna april maar het is nog niet warmer geweest dan vijftien graden. Ik voel de wind door mijn haar gaan, terwijl ik naar de trampoline loop die naast de boomgaard staat. Ik kom langs het zwembad en de barbecueplaats. De grote trampoline komt in beeld samen met de schommel. Ik ga op de rand zitten, het zou me niks verbazen als ik ziek zal worden, maar hier is het tenminste wel rustig. Kai komt het huis uit stormen met een skateboard onder zijn arm. “Hé zussie van me, ga je mee naar voren.” Ik schud mijn hoofd. Ik ben zo’n persoon van weinig woorden. Er zijn maar een paar mensen waar ik me echt bij op me gemak voel. Milla, dat is logisch ze is mijn beste vriendin. Luuk, maar die zit in Amsterdam ver weg bij mij vandaan en Dee, zijn zusje. We zitten samen op dezelfde opleiding voor mode alleen zit ze een klas hoger dan ik. Vroeger voelde ik me hier meer thuis, toen we meer met elkaar omgingen en gek konden doen. Nu merk ik dat we elkaar steeds vaker niet begrijpen. We zijn gewoon te verschillend, al hebben we één ding gemeen: we zijn alle vijf geadopteerd. Kim en Lars voelen wel als mijn ouders, ik was zes toen ik bij ze kwam wonen. Kai was er toen al. Hij was een koppige jongen van acht. Misschien is dat ook de reden dat ik het, van iedereen het beste met hem kan vinden. Het is niet zo dat ik veel met hem praat, maar van iedereen hier in huis wel het meeste met hem. We trekken vaak samen op, dan gaan we samen skateboarden of freerunnen, nieuwe trucjes leren op de trampoline en zwemmen. Was het maar weer zomer.
    Ik kijk op mijn telefoon, het is negen uur. Ik moet weg, op naar mijn werk. Ik loop naar de voordeur en maak hem open. Vrijwel meteen rent Day langs me heen en volgt Light haar naar buiten. Ik kan nog net opzij springen. Terwijl ik de spelende honden nakijk loop ik achteruit naar binnen. “Hé Dream, zal ik je wegbrengen?” Het is Lars.
    “Nee ik ga fietsen, maar bedankt.”
    “Oké tot vanavond, wil je iets specials eten?”
    “Nee.”
    Nog steeds komen er maar weinig woorden uit mijn mond.
    Hoe kan iemand je zo slecht laten voelen, zonder dat je zelf iets gedaan hebt? Het is bijna een jaar geleden dat ik in het ziekenhuis heb gestaan, zijn hand vast heb gehouden en afscheid heb genomen van hem. De rillingen lopen opnieuw over mijn rug. Ik heb vrede met zijn dood. We hadden geen ruzie, we wisten dat het zou gaan gebeuren en we hebben plezier gehad samen. Toch zou ik hem in mijn armen willen houden, zijn stem nog een keertje horen. Ik weet dat hij van me houdt, net zoveel als ik van hem. Ik kan me alleen, zelfs nu we een jaar verder zijn niet inbeelden hoe het met een andere jongen zou zijn. Ik betwijfel of er ooit nog iemand in mijn leven komt, die zijn plaats kan innemen. Voor ik mijn tas pak en schoenen aantrek, werp ik nog een laatste blik naar de kast waar de foto van ons beetje apart gezin staat met in het midden Dylan en ik. We staan knuffelend met een grote lach op onze gezichten. Ik weet nog goed hoe hij me kuste. Dat hij me troostte als ik verdrietig was en met me mee ging rijden, zelfs als het regende. Ik hou nog steeds elke dag van hem, zoveel, dat gaat nooit over. Er is gewoon niemand die hem kan vervangen. Wij hoorden bij elkaar, al was het maar kort, veel te kort.
    Ik loop over het lange grindpad naar de schuur, waar mijn fiets staat. Als ik er bijna ben, zie ik twee benen bungelen. Het is Kai, zijn witblonde haar staat alle kanten op. Hij zit boven op de laadplaats van de hooizolder. Ik roep naar hem:
    “Doe je een beetje voorzichtig?”
    “Ja, tuurlijk”, zegt hij. Hij weet hoe ik me voel, hij voelt zich ook zo. Dylan was een van zijn beste vrienden. Ik stop mijn tas in het mandje van mijn fiets en haal mijn fiets van het slot. Lekker twintig minuten fietsen naar Rotterdam, je moet er nou eenmaal wat voor over hebben.
    Eerst fiets ik de dijk op, langs het water en de weilanden. Zodra ik daar langs ben, kom ik tussen de huizen. Er lopen al mensen over straat. Ik heb het koud en het begint te regen. Misschien had ik toch beter op het aanbod van Lars in kunnen gaan. Waarom deed ik dat eigenlijk niet, omdat ik bang ben om te moeten spreken? Waarom wil iedereen dan ook alles van mij weten, ben ik zo'n belangrijk persoon? Nee dat ben ik niet. Ik ben gewoon een geadopteerd kind met liefdesverdriet, zo noemen ze het toch? Niks verdriet, ik wist dat het zou gebeuren en ik kan er gewoon mee leven. Ik veeg de tranen uit mijn ogen. Ik wil gewoon niet zielig gevonden worden. Het gaat prima zolang ik maar niet in mijn gedachten blijf hangen, dus blijf ik altijd bezig. Ik droom te veel over hem en denk nog te vaak aan hem. Alsjeblieft, ga uit mijn hoofd!
    Ik kom eindelijk bij het winkelplein. Ik zet mijn fiets in de stalling en loop naar de achterkant van de winkel waar ik naar binnen ga. Dee is er al, ze hangt rustig en beheerst nieuwe kleren in een rek. Ik loop naar haar toe en probeer haar zo vrolijk mogelijk te begroeten. Ze lacht naar me. Ze weet hoe ik me voel, al praten we er nooit over, dat wil ik niet. Kon ik het maar gewoon vergeten, het achter me laten, verder gaan met mijn leven. Kwam ik maar gewoon iemand tegen die me die vlinders weer geeft. Ik help Dee met de kleren ophangen. Daarna loop ik naar de deur en haal hem van het slot. Het is tien uur en we moeten open. Ik heb geen zin in mensen maar zoals alles wat ik doe zorgt het voor afleiding.
    Gelukkig vliegt de ochtend voorbij en zijn er maar weinig mensen die om hulp vragen. Na de lunch kan ik er helaas niet aan ontkomen en moet ik een moeder met haar dochter helpen. Het is een mooi slank meisje met blond haar. Ik help haar met wat kleding en zoek wat andere kledingstukken bij elkaar, waarvan ik bijna zeker weet dat ze dat leuk zal vinden. Ik heb gelijk gehad, ze is eigenlijk bijna gelijk verliefd op het rode jurkje dat ik haar heb aangegeven. Ook de groene broek met witte trui doen het goed bij haar. Alleen de zwarte laarsjes wijst ze af, ze houdt meer van gympen dat kan ik ook wel begrijpen. Helemaal blij verlaat ze de winkel en ga ik, alles wat ze niet wilde terughangen. Ik kijk op de klok, bijna drie uur, ik moet nog wel even. Dee heeft gevraagd of ik tot zes uur kan blijven, er is niemand anders die kan invallen. Natuurlijk kan ik dat, thuis heb ik toch niks te doen. Zodra Milla binnen loopt en hulp vraagt met het uitzoeken voor een feestoutfit, die ze bij haar oma aan kan, zeg ik geen nee en ik bloei zelfs weer een beetje op. Alleen zodra ze de winkel verlaat merk ik dat ik weer terug instort en heel erg moe ben, nog steeds mijn eigen schuld, had ik maar eerder moeten gaan slapen. Vermoeidheid is geen excuus om eerder weg te kunnen. Ik heb het aan Dee beloofd.
    Als ik eindelijk naar achter kan heb ik pijn in mijn voeten, heb ik het koud en ben ik doodop. Toch ben ik trots op mezelf dat ik het bijna acht en een half uur heb vol gehouden, zonder in te storten.
    Een meisje komt binnen, ze ziet er gehaast uit en gooit haar spullen op de bank. Het is Lola, ze werkt ook bij ons. Meestal zie ik haar niet, omdat ik normaal om drie uur klaar ben. Ze zegt me snel gedag en rent dan naar voren, de winkel in. Normaal staat Dee altijd van drie tot ze gaan sluiten. Zo makkelijk als je ouders de baas zijn. Stiekem vraag ik me af waarom ze nu niet kon. Er wordt op de deur geklopt, ik draai me om, ik kan het niet geloven. Een lange jongen met een stoppelbaard, blond haar dat netjes zit en een bril kijkt mij recht in mijn ogen aan.
    "Luuk?" het komt er een beetje vaag uit. Hij loopt naar me toe en geeft me een knuffel.
    "Hé, heb je me gemist?" vraagt hij terwijl ik nog steeds in zijn armen sta.
    "Tuurlijk het is zo saai hier zonder jou."
    Hij laat me los.
    "Ga je weg?"
    "Ja ik ben klaar voor vandaag, maar ben zo blij je weer eens gezien te hebben. Je ziet er goed uit."
    Hij lacht.
    "Ik ben ook blij jou weer eens te zien."
    Dan geeft hij me nog een knuffel en zeggen we gedag. Ik heb in geen maanden zoveel gezegd tegen iemand. Wat Luuk gedaan heeft, geen idee, maar er is een lach op mijn gezicht verschenen, die me oprecht laat stralen.
    De regen lijkt me niks meer te doen, ik lach alleen nog. Zo blij ben ik om hem weer eens gezien te hebben. Vroeger zagen we elkaar vaak, dan was ik aan het werk en kwam hij even gezellig kletsen.
    "Kom je helpen?" Vroeg ik dan.
    Hij lachte dan en zei:
    "Nee, dit is niks voor mij."
    Dan hadden we het over verre reizen maken en verschillende soorten sport die hij wilde beoefenen. Ineens snap ik waarom Dee niet kon blijven. Luuk is terug en ze wil daar aandacht aan geven. Als hij weg is, is het nog maar de vraag wanneer we weer iets van hem zullen horen.
     
    Ben je nieuwschrieg naar het vervolg
    Ga niet weg
     
     
    " class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'linkedin');"> Linkedin
  • Printen
  • Whatsapp
  • Feedback voor schrijfactiviteiten

    Review voor: "Manet en het halfduister"

    Ook graag je review voor een van de oudere inzendingen...

    • Hotel Edelweiss **** (213) Roel Slabbinck 11-11-2020

      Leestijd: 15 min.    woensdag 18 januari     Zijn ogen wennen stilaan aan de flauwe, groenige schijn. Vormen beginnen zich af te tekenen in het duister. Alles is anders. Schots en scheef. Hij ligt op een...

      Lees meer: Hotel Edelweiss ****