Voor schrijvers, door schrijvers

Proefstuk

Manet en het halfduister
Inzendingen: 12
Je schrijft veel en graag en bent meestal tevreden over je schrijfresultaten. Je deed al mee aan schrijfactiviteiten en schrijfwedstrijden maar je kunt nu ook een verhaal of gedicht laten zien waar je echt trots op bent of... waar je juist nog over twijfelt maar wat je wel graag aan anderen wilt laten zien.
Dat is nu mogelijk in deze rubriek. Leden van Schrijverspunt kunnen in deze rubriek een schrijfresultaat tonen wat gezien kan worden als een proefstuk van eigen kunnen. Er zijn geen voorwaarden voor genre, aantal woorden, etc. Het is jouw proefstuk wat jij graag aan anderen wilt laten lezen.
Van lezers verwachten we respect voor de publicatie. Beloon de schrijver voor zijn/haar durf en inzet met serieuze feedback. Feedback is een reactie geven (geen advies) op dat wat je gelezen hebt. Het is aan de schrijver om die reactie te vertalen naar een actie.
Manet en het halfduister
© Petra Thijs op .
Aantal hits: 156

Manet keert op een mooie julidag terug uit de dood. Het is geen abrupt ontwaken. Hij doet zijn ogen open en ontwaart alleen duisternis. Hij merkt dat hij in een bed ligt. Manet herinnert zich niets van zijn dromen, maar kan zich wel zijn doodstrijd voor de geest halen. ‘Hallo?' zegt hij voorzichtig. Ergens gaat een licht aan. Een verpleegster in een onmogelijk kort uniform komt binnen. Hij staat op.

Dan merkt hij de man voor het raam op. Hij heeft een boek in zijn ene hand en een fles felgroen spul - absint? - in de andere. De onbekende draait zich om en kijkt Manet aan. Het is Baudelaire. Hij houdt een nagelnieuw exemplaar van zijn essaybundel ‘Peintre de la vie moderne' vast, met op het voorblad een ingekleurde fotogravure van L'Olympia.

‘Dit is een afschuwelijke eeuw. Iedereen wil eeuwig leven. Maar niemand wil de prijs betalen. Wij zijn niet gemaakt om zo lang te leven als dat betekent dat we niet meer waardig kunnen doodgaan.' Hierop neemt hij een flinke slok van de fles.

Manet vraagt voorzichtig: ‘Welke eeuw is dit? En wie heeft ons teruggebracht?'

Baudelaire snuift. ‘Dit is het jaar 2027. We zijn teruggebracht door iets dat nog erger is dan de duivel: de wetenschap. We hadden het verkeerd met onze theorie over het moderne leven. Je zal wel zien. Ik zal het je tonen.'

De verpleegster neemt Baudelaire zijn fles af: ‘Ik had je nog zo gewaarschuwd om voorzichtig te zijn. Je kent intussen de consequenties. Kom nu maar mee.' Baudelaire krimpt in elkaar en zwijgt. Manet voelt zich ineens net zo eenzaam als de figuren op zijn schilderijen. Misschien hoopt hij nog steeds dat dit een nachtmerrie is. Dat is echter niet zo.

Samen lopen ze door een zwart geschilderde gang met daguerreotypes in kleur. Hij herkent Monets Waterlelies, Rembrandts Nachtwacht en zijn eigen Déjeuner sur l’Herbe. Hij vraagt Baudelaire: ‘Waarom hebben ze die werken opgehangen in het halfduister?’

Baudelaire lacht. ‘Om ons eraan te herinneren dat we op geleende tijd leven. Aan het hof van de farao’s werden enkel kunstenaars die zwegen gespaard, wist je dat? Die mochten blijven werken. Wat zou jij gekozen hebben: je mening geven en sterven? Of zwijgen en overleven?’

‘Wat is dat voor een onmogelijke vraag?’

Manet probeert een deur midden in de gang. De witgekalkte ruimte erachter is gevuld met glazen bokalen. In elk ervan zit een figuur in een andere fase van wording. Hij herkent vaag Monet: ‘Ze willen je als voortrekker van een wansmakelijk artistiek experiment, Manet, maar je hoeft niet mee te werken als je dat niet wil. Denk ik.' Het vlees van Degas hangt week en weelderig over de rand van een tweede glas. Berthe Morisots gezicht is platgedrukt tegen de bokaal als dat van een pasgeboren mopshondje. ‘Vlucht weg, nu dat nog kan!,’ sist ze. Maar dan slaat de verpleegster de deur dicht.

Ze lopen in stilte verder naar een hok vol spiegels. De verpleegster drukt op een knop en de deuren glijden geruisloos dicht. De kooi vliegt aan een onmogelijk rotvaart naar boven. Manet beseft dat het een lift is. Hij klemt zich in paniek vast aan de verpleegster. Eindelijk houden ze stil. Wanneer de deuren opengaan, ziet Manet een hoop naakte jongedames bij elkaar staan in een défilé van veel te jonge lichamen. Ze hebben een felgroen, rechthoekig kaartje om de enkel met een nummer. Allemaal kijken ze hem verwachtingsvol aan. Baudelaire knijpt Manet bemoedigend in zijn rechterarm en duwt hem naar voren. De verpleegster blijft voor de liftdeur staan.

               Een model drukt zich iets te dicht tegen Manet aan. Haar mond ruikt naar tabak en haar huid naar goedkope eau de cologne.

‘Kies mij voor l'Olympia. U zal het zich niet beklagen. Ik heb de juiste kleur haar en de juiste ogen.' Manet ziet dat die ogen wazig staan, de pupillen vergroot zijn en de zwarte lijnen eronder opgelost. De slordige rode vegen op haar lippen lopen verder op haar tanden. Manet antwoordt met twee woorden, nog steeds de welopgevoede gentleman: ‘Nee, bedankt.' Naast hem grinnikt Baudelaire en slaat zijn armen om een ander model. Blijkbaar heeft hij zijn absint teruggekregen. Hij ziet er al behoorlijk aangeschoten uit, net als het model in zijn armen.

Zij kijkt Manet samenzweerderig aan: ‘Nee, kies mij. Onze bazin zegt dat ik een Vermeermeisje ben, maar volgens mij lijk ik meer op l'Olympia. Vermeer is helemaal uit de mode, trouwens.’

Manets oog valt op het podium. Een meisje van hoogstens vijftien zit op het blauwe doek van Déjeuner sur l'herbe. Het doek is uitgespreid op een rond spinnend stuk metaal. Haar melkwitte borsten stralen in het licht. Ze is beschilderd met bruintinten, dezelfde kleuren als op Déjeuner sur l'herbe. Zwarte schaduwlijnen accentueren haar vormen, net als de zwarte lijnen die hij altijd gebruikt om de contouren te tekenen van zijn figuren op het doek. Haar glanzende billen weerkaatsen het licht. Manet kan zijn ogen niet van haar afhouden. De plaat stopt met draaien. Het meisje wankelt ervan af en stapt op hem toe. Ze glimlacht breed, waarbij haar perfecte gebit zichtbaar wordt. Manet denkt aan Roodkapje die de wolf naar zijn grote tanden vraagt. ‘Fijn om u te zien,  meester. Ik ben gekozen voor Déjeuner sur l’herbe. Maar mijn tinten hier en hier zijn nog niet goed, vindt u ook niet?' Ze wijst onbeschroomd naar haar schaamstreek en een klein plekje in haar nek. Manet staat er bedremmeld bij.

Een vrouw die de leiding lijkt te hebben, neemt het gesprek over. Ze spreekt langzaam, alsof ze het tegen een traag kind heeft: ‘Zo, Manet, je wilt natuurlijk weten waarom je hier bent.'

‘In het geheel niet. Ik wil hier vooral snel weg.'

De vrouw buigt zich over hem heen. Ze is minstens twee meter groot. ‘Natuurlijk wil je dat weten. Je hebt twee eeuwen geleden een boel vrouwen geïnspireerd met je visie. Dat ga je opnieuw doen. Je hebt hier heel wat jonge vrouwen ter beschikking als canvas. Ze behaalden allemaal een diploma toegepaste replicaschilderkunst en zijn door en door vertrouwd met je werk. Ze kunnen je assisteren bij het schilderproces. Helaas wijkt dat wel iets af van wat je gewend was.' Baudelaire grijnst: ‘Je hebt natuurlijk ook de voordelen in natura. Wat denk je: past zij goed bij me? Of eerder dat model ginds? Tenzij jij haar wil natuurlijk, dan mag je haar hebben.' Hij neemt nog een flinke slok van zijn fles.

Manet schudt zijn hoofd. ‘Ik hoef hun jeugd niet te stelen. Ik heb voldoende aan de schaduwen van onze leeftijd.’

Prompt geeft het model van Baudelaire hem een klap in het gezicht. ‘De afspraak was dat jij me zou helpen om bij Manet op een goed blaadje te komen. Maar je bent volslagen nutteloos.'

Het duizelt Manet. Hij richt zich tot de aanvoerdster, tracht zich aan haar arm vast te klampen. ‘U gebruikt levende modellen als canvas?'

De vrouw rukt zich los van Manet. ‘Natuurlijk. Wij gebruiken geen doeken meer. Het kunstwerk wordt rechtstreeks op het model geschilderd. Vergeef me. Onze opdrachtgevers hebben weinig geduld en tijd is geld.’

‘Hoe ben ik hier terechtgekomen?'

De vrouw zucht. ‘Technisch gezien ben je een kloon. Wij hebben een exacte replica gemaakt aan de hand van een restje DNA uit Manets graf.'

‘DNA?'

‘Een exacte kopie van je genen. Sorry, ben je vertrouwd met het begrip genen? Zie het als een exacte reproductie van een schilderij. Dankzij de geheugenexpert bezit je alle herinneringen en gevoelens van het origineel tot aan zijn dood. Dat maakt alles veel makkelijker. In theorie dan toch. Sorry, maar er is geen tijd voor meer vragen. Je moet nu echt aan het werk.'

‘Waarom verwijst u steeds naar mijn werken uit het verleden? Wat als ik iets nieuws wil maken?'

De vrouw zucht opnieuw. ‘Onze opdrachtgevers zijn niet geïnteresseerd in nieuwigheden. Alleen bekende werken doen het vandaag goed op kunstveilingen. Julie is onze ster: zij poseert al zes jaar als Victorine Meurent in 'Déjeuner sur l'herbe'. Ze bracht onlangs 2,3 miljard dollar op bij Christie's. Nieuw werk zou die prijs nooit evenaren.‘

Julie glimlacht net iets te uitbundig: ‘Meesterwerken kosten tijd, nietwaar?'

‘Waarom heb je mij nog nodig als je al een meesterwerk bent?'

‘De kleuren vervagen en moeten om de zoveel tijd opnieuw worden aangebracht.'

 ‘Wie deed dat hiervoor?'

Julie is even van haar stuk gebracht. Dan glimlacht ze weer. ‘Laat ons zeggen... een mindere meester. Ik kijk al uit naar onze samenwerking.'

‘Zo jong en al naakt poseren? Wat vindt je moeder daarvan?'

Julie snuift. ‘Ik poseer al sinds mijn negende, hoor. En mijn moeder stelde echt helemaal niets voor. Ze hield te hardnekkig vast aan de oude schildertechnieken op doek die niemand nog interesseren. Gelukkig is mijn vader snel van haar gescheiden. Onze houdbaarheidsdatum bedraagt maximaal twintig jaar. Vooral Indiërs willen hun modellen graag fris en jong.'

Manet wendt zich tot de aanvoerdster: ‘Wat als ik enkel met klonen van de originele modellen zoals Victorine en Suzon wil werken? Of met Berthe? Ik heb haar hier al gezien.'

               ‘Berthe is gekloond om haar eigen werk te schilderen. Wij hebben een model voor ‘De Wieg' klaarstaan dat het erg goed zal doen op de Aziatische markt. En om je tweede vraag te beantwoorden: wij gebruiken geen gekloonde modellen als canvas. Kwestie van onze investeerders een frisse insteek te geven op bekend werk.'

Manet pakt de arm van Baudelaire. ‘Kom eens even mee. Ik wil je alleen spreken.' Beide mannen zonderen zich af. Manet fluistert: ‘Hoe komen we zo snel mogelijk weg uit dit gekkenhuis?'

‘Niet, vrees ik. Geloof me, er is niets wat ik nog niet geprobeerd heb.'

‘Ik geloof je niet.’

Baudelaire maakt zijn zakhorloge los en poetst het op, schijnbaar volledig op zijn gemak. Hij blijft poetsen totdat het horloge glanst als een spiegelpaleis op de kermis.

Manet zegt: ‘Ook goed. Dan ben ik ervandoor zonder je. Bekijk het maar.’

Ineens zit Baudelaires hand als een duimschroef rond zijn pols.

‘Als je niet meewerkt, word je gestraft, Manet.’

‘Wat bedoel je?’

               ‘Met verlamming. Met doofheid. Met hetgene waarmee ze je het hardst kunnen raken. In jouw geval zal het blindheid zijn, vermoed ik.’

               ‘Dat is onzin.’

               ‘Ik hoor je. Het staat je vrij om mij te negeren. En hun vonnis te ondergaan.’

               ‘Hun vonnis? Waarmee straffen ze me dan? Met levenslange duisternis?’              

‘Levenslang niet. Dat zou niet rendabel zijn.’

 ‘Hoe komt het dat jij hier zo rustig onder blijft?'

Baudelaire laat zijn pols los en begint opnieuw zijn horloge te poetsen. ‘Ik begrijp hoe je je voelt.’

‘Oh ja? Echt?’

Baudelaire maakt zijn horloge terug vast, steekt zijn duim achter de revers van zijn jacquet en wacht een tijdje voor hij antwoord geeft.

‘Nee, uiteraard weet ik niet wat je voelt. Maar ik ken je. Jij bent een koppige ezel die altijd je eigen zin wilt doordrijven. Ik raad je ten stelligste aan om dit te laten gaan. Je kan beter het beste maken van deze hele situatie. Zoals ik probeer te doen.'

'Wat bedoel je?'

‘Zo pijnloos mogelijk, Manet. Je zou nooit je weg vinden in de wereld daarbuiten. Het belangrijkste is dat je zo snel mogelijk start met je nieuwe leven. Daar kan ik je bij helpen.'

'Wat als ik niet meewerk?'

Baudelaire blaast. 'Dan heb ik op zijn minst mijn best gedaan om je te waarschuwen. Maar ik wil je toch nog een laatste keer smeken om mee te werken, zodat ik je wél kan bijstaan. Zoals jij voor mij hebt gedaan tijdens mijn ballingschap in Brussel.'

Manet bekijkt zijn vriend kritisch. Het is niets voor Baudelaire om te smeken.

'Wat was het eerste wat jij deed?'

'Wanneer?'

'Toen je wakker werd en ze je hun toekomstplannen verteld hebben.'

Baudelaire haalt zijn schouders op: 'Ik bezatte me met absint. Denk ik.'

'Zoals je nu nog altijd doet. Welke taak heb jij gekregen?'

Baudelaire haalt zijn hand over zijn gezicht. 'Officieel om te zien of oude exemplaren van mijn boeken authentiek zijn. Voor hun veilingen. Alles staat hier in het teken van geld. Officieus omdat ik veel mensen uit de artistieke kringen van de 19e eeuw ken.'

‘Hoe bedoel je?’

'Het is mijn taak hen in te wijden in de nieuwe wereld.’

'En bevalt je dat zo'n beetje, samenwerken met die verpleegster en modellen?'

Baudelaire ontwijkt zijn blik. 'Geloof me, dat wil je niet weten.'

'Dat moet ik weten.'

'Meer kan ik je niet vertellen.'

Manet denkt aan Suzanne en Leon, die al honderdvijftig jaar in hun graf liggen en aan het gewicht van de uren, dagen en eeuwen die hen scheiden. Hij vraagt zich af wat het laatste is geweest dat ze gezien hebben vooraleer ze stierven: elkaar of alleen duisternis zoals hij. Beter gezegd, zoals zijn origineel. Het is vreemd om zich een leven te herinneren dat hij zelf niet heeft geleefd. En dan denkt hij aan alle dingen die hij nog zou willen zien. Zonder zijn ogen is hij niets. Hij kijkt verlangend naar de lift achter hem. Maar dat is buiten de verpleegster gerekend. Zij vergrendelt de deuren en sluit hem zo op in dit ogenblik.

'Ok. Ik doe het.'

Baudelaire lacht, opgelucht. 'Dat was de juiste keuze, Manet.’
'Ik ben bang, Charles. Ik begrijp niet wat er van mij verwacht wordt.'

‘We zijn allemaal bang.' Baudelaire zet zijn hoed op.

'Blijf je niet? Ik dacht dat je mij zou helpen?'

'Dat kan later. Ik heb een taxi laten bellen.' Baudelaire maakt een zwierige buiging en vertrekt. Prompt loopt er een model met hem mee en roept de lift voor hem. Op de laatste knip draait Baudelaire zich nog even om: ‘Je hebt veertien dagen tot de opening van je solo-expositie. Tijd om aan de slag te gaan!' Dan glijden de liftdeuren dicht. Manet is alleen.

Hij gaat terug naar het atelier en trekt de werkjas aan die klaar hangt. Het is stil geworden bij de modellen. De aanvoerdster spreekt hem aan: ‘Je mist je familie vast wel. Als je goed meewerkt, kunnen we later misschien toch je vrouw nog klonen. Zie het als een incentive.’ Manet knikt, al heeft hij geen idee wat een incentive is. Dan stort hij zich op de penselen. Hij bestudeert de penselen nauwkeurig, kiest er één, duwt hem in verf, probeert die op een vod, veegt de kleur dan weer uit, kiest een volgend penseel, smeert en wist uit in een razend tempo terwijl hij de duisternis inhaleert in deze ruimte waar elke kleur lijkt op zijn vrouw. Dan wenkt hij naar het verste model. Ze heeft iets weg van Victorine in haar jonge jaren. Ze delen allebei een soort nukkige introversie. Verbaasd staart het model hem aan. Ze lijkt door de hand gods geslagen, maar hij vermoedt dat ze enkel verlegen is. Manet besluit de rest uit hun lijden te verlossen: ‘Ik kies voor het portret van de straatzangeres, met haar als model.' Zo mag dat arme meisje tenminste kleren aandoen, en kan hij zich concentreren. De leidster neemt opnieuw het woord. 'Zij is niet de juiste persoon voor deze opdracht. Ze is pas afgestudeerd. Julie zou veel geschikter zijn. Zij heeft haar beurswaarde al bewezen.’

'Als kunstenaar heb ik toch zeker wel recht op de eindbeslissing? Anders stop ik ermee.'

‘Jij je zin. Maar we zullen haar ogen moeten vervangen. En haar haar ook.'

‘Hoe bedoelt u?'
Het meisje begint te beven.

‘Victorine had bruine ogen en rossig haar. Dit meisje is enkel geschikt voor minder bekend werk zoals je anonieme portret van een jonge vrouw met blond haar en blauwe ogen uit 1878. Tenzij we bepaalde onderdelen vervangen.'

 ‘Kan ze geen pruik dragen? En u kan haar ogen toch wel aanpassen met uw moderne technieken?'

‘Kunstkenners houden niet van hulpstukken.'

‘Dan eis ik een ander model.

'Je hebt je keuze gemaakt en binnen twee weken heb je een solotentoonstelling. Zo leer je meteen welke consequenties een beslissing heeft. Zij moet dringend geprepareerd worden. Onze financiers eisen zo perfect mogelijke replica’s.'

Manet slaat zijn armen om het model heen om haar te beschermen, maar zij maakt zich zelf van hem los. De andere vrouwen houden hem vast, zodat hij niet opnieuw kan tussenkomen. Hij ziet nog net de verwijtende blik van het meisje voordat ze weggevoerd wordt. Manet werpt zijn werkjas resoluut op de grond. Deze mensen hebben niets begrepen van artistieke vrijheid. ‘Dan stop ik ermee. Ik weiger die meisjes te laten mishandelen. Ik doe het op mijn manier of helemaal niet.'

De leidster zucht. ‘Ik wist wel dat je ongeschikt zou blijken. Het heeft geen zin om meer tijd in je te investeren. Wij moeten een volledige reboot doen voor de financiers zich terugtrekken.' En dan tegen twee bewakers die zich tot nog toe discreet op de achtergrond hebben gehouden: ‘Voer hem af.' De bewakers grijpen hem ruw onder zijn armen en slepen hem mee naar een gebouw naast het atelier, een oude, afgedankte fabriek. Het is er donker. Manet hoort vaag geritsel vanuit de duisternis, alsof er schimmen rondwaren. De leidster haalt een korte, lichtgevende staaf uit haar tas. Het witblauwe licht onthult een rij knokige, afgeleefde meisjes van twaalf tot vijftien jaar. Ze zijn vastgemaakt aan de muren met een ketting. Allemaal missen ze iets: een oog, de nagels of het haar. Hij vraagt de aanvoerdster: ‘Wie zijn dat?’

‘Reserveonderdelen.’

Een meisje van ongeveer twaalf pakt zijn arm vast. Ze heeft dezelfde kleur haar en ogen als zijn model, ziet Manet. Hij buigt zich naar haar toe, maar de bewakers trekken hem buiten het bereik van de ketting en bedreigen het meisje met een stok. Ze krimpt in elkaar. ‘Laat haar met rust,' schreeuwt Manet tegen de bewakers. Die negeren hem en slaan het meisje een paar keer. Manet voelt zich verdoofd, gebroken.

Ze voeren hem mee naar een soort labo op de eerste verdieping van de fabriek. Boven het labo is er een groot bedieningspaneel. Het gezicht achter het paneel is verborgen met een zakdoek. Toch heeft het iets bekends. De persoon draagt een jacquet, ziet Manet.

‘Wat gaat er met mij gebeuren?,’ vraagt hij aan de aanvoerdster.

‘Je wordt nog een keer aangepast. We starten met een lobotomie, denk ik.’

Er knapt iets in Manet. Hij rukt zich los en voor iemand hem kan tegenhouden, rent hij naar het balkon en springt naar beneden. Terwijl hij valt, denkt hij aan farao's.
Dit artikel delen?

geef een waardering voor: "Manet en het halfduister"

Geschreven door Petra Thijs . Geplaatst in Proefstuk.
Emoticons: ;o = wink, :d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart

Jouw feedback hier?

Je helpt een andere schrijver met jouw eerlijke, respectvolle feedback en een serieuze waardering voor de schrijfkwaliteit van het artikel. Zie je verbeterpunten? Geef ze dan a.u.b. concreet aan in je commentaar.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen.

Snelmenu: Klik, voor belangrijke pagina's, aan de rechterkant op de blauwe button !