Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Huiswaarts

  • Lieven Vandekerckhove

Ik had het kunnen weten. Stabiel stralend weer, al weken aan een stuk, en daarbovenop een verlengd weekend. De wagens tegen de duinen aangeplakt, de terrassen overvol. Dat moést natuurlijk wringen worden door de trechter, het binnenland weer in. Verloopt de heenreis doorgaans al wat stokkerig naar de kust, de terugreis is in de regel nog een groter probleem. Het weekend beginnen gebeurt immers meestal nog in gespreide slagorde. ´s Vrijdags wil er al een heel pak de grote meute vóór zijn, en ook op Zaterdag wordt er stilzwijgend in ploegen gereden. Het deert de langslaper niet dat het matineuze type hem een lengte vóór is; integendeel, dat komt hem goed uit. Maar de terugreis wordt niét gespreid over twee dagen, zelfs niet over één dag. De éne springt zo tegen vijven rechtstreeks vanop het strand de wagen in, de andere schuift zo tegen tienen van de restauranttafel in de auto om op hoop van zegen de tocht landinwaarts met zo min mogelijk opstoppingen te klaren.

Was het weer nu eens wat tegengevallen, ja dan…  Kille wind die het zand in de ogen jaagt, of gutsende regen die alleen de garnalen in de zee pleziert. Maar niets daarvan. Geen vaan dat roerde, geen druppel die stoorde. Alleen die vuurbol, die al de hele dag geblakerd had, tot hij zich uiteindelijk, rood verbrand, ver in zee zou laten uitblussen.

Ik had me daarom wat laat op de avond achter een Volkswagen genesteld, die al niet meer zo volks was als het volkse wagentje bij zijn creatie ooit bedoeld was. Niet dat bolle kevertje dus, met het gespleten ovale achterruitje, dat twijfelt tussen glas en carrosserie, tussen openheid en intimiteit, maar een geblokt, vinnig karretje, dat met zijn democratischer voorgangers alleen nog de merknaam gemeen had. Mooi en uitdagend snel, een wagen met karakter, gewis. Dat het geen auto was om in een file vast te rijden, was er rap aan te merken. Files worden luier naarmate ze langer worden, en met die gang van zaken was dat vinnig baasje het helemaal niet eens. Telkens het op de weg wat trager ging, versnelde de polsslag van dat nerveuze doosje, het spuwde rook, en ronkte. Je kon de bestuurder zó horen pompen. Ongezond dacht ik, ongezond. De verkeersinformatie die ons langs de radio bereikte, was weinig hoopgevend. Ik had het kunnen weten, inderdaad. Waarschijnlijk dacht de bestuurder vóór mij er ook zo over, want ik zag hoe bij dat verkeersbericht zijn hand wanhopig de lucht in veerde.

De achterruit van die Volkswagen vóór mij was als een breed televisiescherm, waarop een weinig opwindende eenakter te zien was. Vier personages zaten geïmmobiliseerd en ongeduldig te wachten tot er weer wat vaart zou schieten in de rit naar huis: vader, moeder, broer en broer.

Nu en dan dunde de file lichtjes uit, en na verloop van tijd konden we toch op kruissnelheid komen. Dan moest ik mijn aandacht wel méér van het ‘televisiescherm’ afwenden, en me opnieuw volop op het verkeer concentreren. Maar plots werd het daar vóór mij wel spannend. De twee broertjes, die de hele rit keurig op de achterbank naast elkaar waren blijven zitten, raakten hun figurantenrol blijkbaar moe, en vlogen elkaar onverhoeds in de haren. Vader had de handen niet vrij, maar ik zag aan zijn bewegingen hoe hij met verbaal geweld poogde zijn kinderen terug in het gelid te duwen. Eindelijk wat leven in de brouwerij, vond ik, en ik keek geamuseerd vanop de eerste rij toe. Moeder keerde zich om, en trok de twee snaken uit elkaar. Een poosje zag ik haar nog verder uitvaren tegen één van beiden, zo in de trant van “jij bent de oudste, gebruik het meeste verstand!”, naar pedagogische traditie. Dan nam de scène opnieuw haar statische, vervelende vorm aan. Niet voor lang evenwel, want moeder had nog maar net haar rug gekeerd, of vanuit de linkerbenedenhoek van het scherm flitste een hand naar de krullekop die ik rechts in beeld zag, schudde die heftig heen en weer, en verdween dan pijlsnel terug naar beneden, even snel als ze uit het niets was opgedoken. Meteen vloog vanuit de andere hoek een vuist door het luchtruim, om pardoes neer te donderen op het hoofd van de aanstoker. In luttele seconden zat het er dus weer bovenarms op. De remlichten sprongen op rood. Er zal wat af gevloekt zijn, vermoedde ik, want ik had natuurlijk geen klank bij het beeld. Doch moeder slaagde er opnieuw in, de orde te herstellen. Het is evenwel bij kinderen zoals bij de volwassenen: het herstel van de orde betekent bijlange nog niet het herstel van de vrede. Dus bleef het getreiter maar doorgaan, zij het geniepiger. Tot het ook voor vader te gortig werd. Met zijn knipperlicht gaf hij te kennen dat hij van baanvak wilde veranderen. Dat hij niet snel doorgang kreeg, zal er bij zijn toorn nog wel een schepje bovenop gedaan hebben. Toen hij eindelijk een opening zag, schoot hij naar rechts. Rijdt hij nu naar een afrit, zijn route naar huis? vroeg ik mij af. Maar een afrit was nog lang niet in zicht. Hij reed de pechstrook op, en in mijn achteruitkijkspiegel zag ik de wagen halthouden, en het portier langs vaders kant opengaan. Dat zal zeker niet geweest zijn om eventjes de bandendruk te controleren, of om de koffer goed te sluiten. Ik heb er het raden naar, maar ik verwed er mijn ziel op dat er duizend bommen en granaten zijn gevallen. En dat vader gezworen heeft om nooit nog met de kinderen naar zee te gaan. Nooit, nooit, nooit nog! Thuis zullen we blijven, thuis, thuis, thuis!

Een tijdje bolde ik nog gezapig met de stroom mee. Een tijdje, want na een poosje schoten vóór mij over de drie baanvakken één na één weer alle remlichten aan. Het ging trager en trager, tot we met zijn allen compleet stilstonden. O jeetje, dacht ik, morgen begint de werkweek opnieuw. Morgen, als we vóór middernacht thuiskomen. Anders wordt het straks in plaats van morgen.

 
  • Hits: 31