Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Ik kan je niet goed thuisbrengen

  • Inge Verweij

‘Maar waar woont u dan?’, vraagt het pubermeisje inmiddels iets ongeduldiger. ‘Weet u welke kant het op is? Is het daarheen, richting de stad?’, voegt ze toe, waarbij ze met haar arm wappert en daarna op haar horloge kijkt.

De oude man heeft geen idee. Alles lijkt hier nieuw, hij herkent niets. Verdwaasd veegt hij de druppel van zijn neus, kijkt nog eens rond en frommelt ondertussen aan het plastic tasje in zijn hand. ‘Was u een boodschap wezen doen misschien?’, hamert ze door waarbij ze terloops aan zijn tasje trekt. ‘Mag ik kijken of hier iets van een aanwijzing in zit, iets dat ons verder kan helpen?’ Verschrikt rukt hij het draagtasje uit haar handen en houdt het achter zijn rug. Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee daar zitten mijn schaatsen in, ik heb net geschaatst op de rivier’, stamelt hij. Het meisje schiet in de lach. ‘Há, nou, dat lijkt me stug meneer. De mussen vallen van het dak, het is over de dertig graden vandaag.’

‘Ja hoor, m’n zuster op een houtvlot’, snauwt hij, waarop hij zich omdraait en wil weglopen. ‘Meneer wacht nou even, ik wil u helpen, u bent een beetje in de war. U moet niet zo in uw eentje over straat gaan lopen dwalen, daar heb ik geen goed gevoel bij.’ Ze doet snel een paar passen en grijpt hem bij zijn mouw. De oude man kijkt verbaasd op, het lijkt alsof hij haar voor het eerst ziet. Zijn beide handen gaan omhoog.  ‘O jij hebt mooie uiers zeg’, roept hij opgetogen. Door een rap sprongetje opzij kan ze net op tijd de grijpgrage handen van de man ontwijken. Onbewogen gaat hij verder: ‘Ik kom van de boerderij. Heel veel koeien heeft mijn vader. Soms mag ik hem helpen met melken.’  De man staalt terwijl hij praat en maakt daarbij kleine pasjes, van de ene voet op de andere. ‘En we hebben ook een hooizolder en als je dan daar door het raampje kijkt, dan heb je een prachtig uitzicht over het land. Vooral bij zonsondergang weet je niet wat je ziet. Vaak klim ik op dat tijdstip de ladder op, en ga daarboven in het raamkozijn zitten, mijn benen bungelend over de rand. Je weet niet wat je ziet. Alles krijgt een gouden gloed. Het is mooier dan de mooiste foto. En het geluid hè, van vogels en krekels bijvoorbeeld. Machtig mooi is het.’

De ogen van man schitteren. ‘Nou meid, dat is me toch een plek om te wonen. Iedereen wil wel zo’n thuis hebben natuurlijk. Die rust, onbetaalbaar. En je buren wonen op honderden meters afstand, héérlijk!’  Z’n glimlach gaat van oor tot oor. Dan schudt hij opeens zijn hoofd.  ‘Je bent een lekkere meid, maar ik ga niet met je mee hoor want ik moet nu echt naar huis, anders wordt mijn moeder ongerust, die wacht op mij met de thee.’  Het meisje zucht, ze kijkt de straat rond op zoek naar hulp. Uit haar ooghoek ziet ze opeens een vrouw van een jaar of zestig op hen af lopen. ‘Joehoe Gerrit! Gerrit, kom, wat doe je daar?’ roept de vrouw. Met ferme stappen komt ze dichterbij en grijpt de oude Gerrit bij zijn bovenarm. De blik in zijn ogen keert zich op slag naar binnen. ‘Hé ouwe dwaas, was je weer verdwaald?’ Terwijl ze aan zijn arm rukt, keert ze zich naar het meisje en zegt: ’Hij is mijn buurman en doorlopend de weg kwijt. Dan weet -ie niet meer waar hij woont. Ik neem hem wel van je over.’  Zonder een reactie af te wachten haakt ze haar arm door de zijne en samen sjokken ze weg, de stoep en vervolgens het zebrapad over. Het meisje kijkt ze na tot dat ze om de hoek verdwenen zijn.  

Bij het pingeltje van de lift lijkt Gerrit op te schrikken. De buurvrouw duwt hem voor zich uit zodra de liftdeuren opengaan. ‘Hup Gerrit, je bent er bijna.’ Sloffend over de lange galerij met zijn hoofd gebogen gaat zijn hand haast automatisch naar zijn neus. Hij knijpt hem dicht. Het stinkt hier, denkt hij. Bijna struikelt hij over een oude fiets met twee platte banden die half tegen iemands voordeur hangt. ‘Hoi fiets’, murmelt hij.

Even later trekt ze hem achter aan z’n blouse. ‘Zoooo hier is het, je bent weer thuis’, waarop de buurvrouw met haar elleboog de afgebladderde voordeur die op een kier staat, openduwt. ‘Joehoe’, gilt ze in de gang en loopt zonder af te wachten door naar de huiskamer, Gerrit voor zich uit drijvend. Binnen hangt een bedompte lucht. ‘Nou Nellie, ik heb je man weer effe bij je teruggebracht.’ Gezeten op de bank wuift tandeloze Nellie met haar hand en rolt met haar ogen zonder haar blik af te wenden van de televisie, die op vol volume staat. De buurvrouw, even uit het lood geslagen, kijkt van Nellie naar Gerrit maar Gerrit staart onafgebroken naar het grijze tapijt en plukt wat aan zijn broek. Dan schraapt ze haar keel en richt haar blik op de andere gestalte in de kamer en ze bijt hem toe: ‘Frenkie,  je vader liep te dwalen bij het winkelcentrum. Misschien moeten jullie hem een beetje beter in de gaten houden? Vandaag of morgen weet hij niet meer thuis te komen. Doe hem anders een briefje met het adres in zijn broekzak. Het is maar een idee hoor.’  Vanuit de leunstoel klinkt een luid ‘Ssssttt, wacht effe, het wordt net spannend!’ waarbij het logge wezen onder zijn vale shirt zijn dikke buik krabt. De buurvrouw snuift en richt haar armen naar de hemel. ‘Ik weet wanneer ik teveel ben, ik ben al weg.’ Met een klap valt de huiskamerdeur achter haar dicht. Hierdoor lijkt Gerrit te ontwaken. Verwonderd kijkt hij de kamer rond. Met twee stappen is hij bij het raam. De zon schijnt hem fel in het gezicht, hij trekt zijn ogen tot spleetjes. Ver weg wil hij kijken, de landerijen over, de horizon zien. Maar zijn zicht wordt belemmerd, er staan hoge huizenblokken en flats voor zijn neus. Dit klopt niet. Hier woont hij niet. Dit is niet zijn thuis. 

 
  • Hits: 43