Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Koetjes en Kalfjes

  • Annika Leeuwenbek

We praten over alledaagse dingen, toch voel ik de druk op mijn borst. Mijn keel die zich, na een uur in het ouderlijk huis langzaam dichtknijpt en ik denk aan mijn pufje die nog in de auto ligt. Die had dit gevoel enigszins kunnen verlichten. Er loopt nog een onderzoek naar mijn longen. De arts denkt dat ik astma kan hebben. Ik begin te denken dat het de jaren stress, angst en paniek zijn waardoor zelfs mijn organen niet meer weten hoe te relaxen. Ik probeer mijn innerlijke kind gerust te stellen, te zeggen dat ze veilig is. Er is niks aan de hand, meid. Je hebt nu een hele lieve vriend die meteen voor je op zou komen, mocht er wat gezegd worden wat je terugbrengt naar je jonge ik.

Kwetsbaar. Dat is het goede woord. Ik ben zessentwintig, ik kan heus voor mezelf opkomen, soms zelfs te goed. Dan schiet ik uit verdediging in de aanval en word ik soms bot. Dat vind ik erg. Ik denk dat ik dan overcompenseer en wil uitdragen dat er met mij niet te sollen valt. Niet meer althans. Ik weet dat ik tegengas kan geven, maar waarom voel ik me dan zo in de hoek gedreven? Ik denk dat ik bang ben voor het gevoel dat eraan kleeft. Ik wil me niet meer vernederd voelen, of klein.

Sommige dagen zijn super. Dat zijn de dagen waarvan ik denk, zo moet iemand zich voelen die niet continu gestrest is. Wat een leven. Ik geniet van de hommels, ik wil ze allemaal bij naam weten. De bast van de plataan, de Cosmea die op het punt staat te bloeien, het zuid-Duitse dialect van de vink, fantastisch. Dan pluk ik écht de dag. Maar de overgang van Carpe Diem naar Memento Mori komt snel en hard. Dan probeer ik terug te kijken en uit te zoeken wat me getriggerd heeft, waarom ik me opeens een compleet ander mens voel. En andere dagen maakt dat me al niet eens meer uit: gelaten acceptatie van de situatie.

Wil je mee wandelen?

Nee, sorry.

Een klein rondje dan?  

Hoe klein is klein?

Een uurtje.

Dat is toch niet klein!

Oké, dan lopen we even naar het park, langs de dieren, en weer terug.

Gelaten acceptatie.

Ik doe het dan voor hem hè, dat rondje. Want hij wandelt zo graag, hij is echt een buitenmens. En ik weet hoe graag hij mij ook wil transformeren tot buitenmens. En ergens ben ik dat ook, op de Carpe Diem dagen zeker. De Memento Mori dagen willen me niet uit huis hebben, hoogstens voor boodschappen en de kringloop. Mijn huis, woonkamer en bank zijn mijn veiligheid geworden. Maar hij weet wel hoe hij me eruit moet lokken, want voor de sprintende kippen bij het hertenkamp doe ik wel mijn schoenen aan. Ik weet niet zeker of ik er dan wel van geniet. De rennende kippen vind ik altijd wel grappig, maar het komt niet bij me aan.

Mijn moeder stelt voor Chinees te halen. We zoeken uit wat we willen eten en ze moedigt mijn vader en vriend aan het ‘gezellig’ samen op te halen. Ze zegt nog een keer dat ze ‘lekker met z’n tweetjes’ kunnen. Mijn hartslag gaat omhoog en de rode vlag wappert hevig. Ze wil per se met mij alleen thuis zijn. Wat gaat er gebeuren, wat gaat ze zeggen tegen me, kan ik het aan? Sinds ik de eerste therapieronde heb gedaan, heb ik nog niks met ze gedeeld. Aan de ene kant wil ik het hen onder de neus wrijven wat ze hebben veroorzaakt met hun acties en hoe dat nu mijn leven beïnvloedt. Aan de andere kant wil ik niks zeggen. Tot ik samen met mijn nieuwe psycholoog een gesprek met ze kan voeren. En zodat zij of hij mij bevestiging kan geven dat het niet aan mij ligt, dat ik niet gek ben.

Want het voelt vaak alsof ik gek ben. Tot voor kort, ik zou zeggen twee jaar geleden, dacht ik dat ik een prima kindertijd en jeugd had gehad. Niks aan de hand, ik mag niet klagen heb ik vaak gezegd. Een vriendin van me met een heftige geschiedenis en daardoor ook een moeilijke toekomst vertelde me hoeveel geluk ik had. We vonden de vergelijking altijd bizar, wat een bijzondere vriendschap hadden we toch. Iemand die zo gehavend is samen met iemand die fluitend is gekomen waar ze nu is. Hoe verkeerd hadden we het kunnen hebben. Hoe groot was mijn blinddoek? Dat heb ik mezelf al vergeven. Want als je nog kind bent, is jouw thuissituatie heel gewoon. Natuurlijk waren er ouders van kinderen waar ik thuis bij speelde die wel héél erg vriendelijk waren, een warm bad. Maar dan verwachtte ik altijd dat het anders zou zijn, zodra ik de deur uit zou stappen. Zo was het bij mij immers ook.

Vriend en vader zijn de deur uit en de koetjes en kalfjes gaan nog eventjes door. Ik sta op scherp. Ze loopt naar de keuken om de fles water bij te vullen en de tafel te gaan dekken. Ik loop mee om haar te helpen. Ik wil het even met je ergens over hebben zegt ze. Dat is een bekende openingszin. Meestal volgt een vriendelijk ogend verhaal met een nare onderliggende boodschap dat ik moet veranderen. Ze vertelt over de coach die haar begeleidt (die eigenlijk voor psycholoog speelt, waar ze weigert heen te gaan). Deze coach heeft haar leven geëvalueerd en beoordeeld dat ze te weinig met haar kinderen communiceert en doet. Ik lach inwendig. Nee, ik gil inwendig. Ze begint te huilen. Ik voel me maar een halve moeder, zegt ze. Ik gil nog harder. Ik kan haar niet troosten, dat kan ik echt niet. Als ze dit een jaar geleden had gezegd, had ik haar omarmd en haar gezegd dat het me fantastisch lijkt meer contact te hebben en elkaar vaker te zien. Nu sta ik haar aan te kijken, twee stappen bij haar vandaan, en ik blijf staan.

Sinds de eerste sessie van de eerste therapiereeks ben ik al begonnen emotioneel afstand te doen van mijn moeder. Ik hoef niks meer van haar en het is oké. Behalve koetjes en kalfjes zal ik weinig delen over mijn leven, tenzij ze ernaar vraagt. Dan is het maar mijn geluk dat ze er inderdaad niet naar vraagt. Een knap staaltje omdenken vind ik dat van mezelf. Ik ben de teleurstelling voorbij. Op de Memento Mori dagen is het nog pijnlijk, maar ik wen er wel aan. Maar hoe vertel je dit aan je moeder? Ze voelt het wel, dat zegt ze nu ook tegen me. Ze voelt afstand tussen ons het laatste jaar en ze mist mij, snikt ze. In mijn hoofd schreeuw ik: en waarom stuur je me dan geen berichtje? Waarom vraag je niet hoe het met me is? Maar ik knik rustig terwijl ik haar aankijk. Ik ben niet meer gevoelig voor haar tranentheater. De moeder die ik verlang is niet onvoorspelbaar. Ze is veilig, betrouwbaar en helaas een illusie. Het zou een verlossing moeten zijn dat ik niet meer hoef te hopen, mijn best hoef te doen voor haar. Maar ik vind het lastig, dat het altijd zal blijven bij koetjes en kalfjes.

 
  • Hits: 33